De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het ouderlijk gezag van de moeder en vader over de minderjarige te beëindigen en de William Schrikker Stichting (WSS) tot voogd te benoemen, omdat beide ouders niet in staat zijn het kind zelfstandig op te voeden en het perspectief bij het pleeggezin ligt.
De moeder en vader verzetten zich tegen het verzoek. De moeder stelt dat zij voldoende leerbaar is en het gezag wil behouden, terwijl de vader meent dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar zijn opvoedcapaciteit en pleit voor uitbreiding van omgang met het kind. De pleegouders en WSS ondersteunen het verzoek tot gezagsbeëindiging vanwege de positieve ontwikkeling van het kind in het pleeggezin en de noodzaak van stabiliteit.
De rechtbank oordeelt dat het belang van het kind centraal staat en dat het gezag van de ouders moet worden beëindigd omdat de aanvaardbare termijn om onzekerheid over het toekomstperspectief te verdragen is verstreken. Het kind is goed gehecht aan het pleeggezin en verdere terugplaatsing is niet in zijn belang. De WSS wordt benoemd tot voogd om continuïteit en stabiliteit te waarborgen. Het verzoek tot deskundigenonderzoek naar de vader wordt afgewezen omdat dit geen verandering in het oordeel kan brengen.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het ouderlijk gezag van beide ouders wordt beëindigd, met behoud van hun rol als ouders met recht op contact en informatie, voor zover het belang van het kind dit toelaat.