De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Amsterdam om het gezag van de ouders over hun 17-jarige zoon te beëindigen en Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA) als voogd te benoemen. De Raad stelde dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig werd bedreigd en dat de ouders niet in staat waren de opvoeding binnen een aanvaardbare termijn te dragen. De minderjarige woont sinds 2020 in een residentiële instelling van Pluryn, waar hij stabiliteit en structuur ervaart.
Tijdens de mondelinge behandeling betoogden de ouders dat zij het gezag moeten behouden omdat zij het beste weten wat in het belang van hun zoon is en dat een gezagsbeëindiging een te verstrekkende maatregel is. JBRA onderschreef het belang van duidelijkheid voor de toekomst van de minderjarige, maar erkende ook dat de ouders nog steeds betrokken zijn bij zijn opvoeding.
De rechtbank concludeerde dat hoewel de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd, het verzoek tot gezagsbeëindiging niet proportioneel is. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bieden een minder ingrijpende maatregel die voldoende bescherming biedt. De mening van de minderjarige, die het gezag bij zijn ouders wil laten, werd zwaar meegewogen. De rechtbank wees het verzoek af en benadrukte het belang van voortzetting van de huidige maatregelen en samenwerking tussen ouders en hulpverlening.