De rechtbank Amsterdam behandelde het uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten tegen de opgeëiste persoon, die verdacht wordt van een strafbaar feit waarvoor zijn aanhouding is gelast. De procedure kende meerdere schorsingen en tussenuitspraak, mede vanwege de betrokkenheid van civiele procedures die relevant waren voor de beoordeling van dubbele strafbaarheid.
De rechtbank stelde vast dat het uitleveringsverzoek beoordeeld moest worden aan de hand van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten en de Uitleveringswet. Na het doorlopen van diverse zittingen en het afwachten van de uitkomst van hoger beroep in een civiele procedure, werd geconcludeerd dat niet aan de vereisten van dubbele strafbaarheid is voldaan.
De verdediging stelde dat de uitlevering ontoelaatbaar was vanwege het ontbreken van dubbele strafbaarheid, een standpunt dat door de rechtbank werd gevolgd. Het Openbaar Ministerie voerde aan dat civiele uitspraken geen doorslaggevende rol spelen bij de beoordeling van dubbele strafbaarheid, maar de rechtbank handhaafde haar eerdere oordeel.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het uitleveringsverzoek niet toelaatbaar en stelde zij vast dat de geschorste uitleveringsdetentie is beëindigd. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open voor de officier van justitie.