De rechtbank Amsterdam heeft op 7 januari 2021 uitspraak gedaan in een ontbindingszaak tegen een rechtspersoon die is veroordeeld wegens overtreding van artikel 10.37 lid 1 van de Wet milieubeheer. De zaak betrof het vaststellen van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de veroordeelde heeft behaald door de verkoop van een gevaarlijke afvalstof.
De officier van justitie had aanvankelijk een bedrag van €391.614,68 als wederrechtelijk verkregen voordeel gesteld, gebaseerd op de opbrengst van de verkoop aan een bedrijf en de besparing op verwijderingskosten. De veroordeelde stelde echter dat er een realistisch alternatief was geweest om de stof legaal via een Belgisch bedrijf af te zetten, wat een lagere opbrengst zou opleveren.
Na onderzoek en overleg erkende de officier van justitie dit reële alternatief en paste de vordering aan, waarbij alleen het verschil in opbrengst tussen de verkoop aan het eerste bedrijf en het Belgische bedrijf werd meegenomen. De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom vast op €13.194,50 en legde de betalingsverplichting aan de veroordeelde op dat bedrag, inclusief rente.
De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en benadrukt het belang van een realistische waardering van het voordeel bij ontzegging van wederrechtelijk verkregen winst.