Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2021:1218

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2021
Publicatiedatum
22 maart 2021
Zaaknummer
13/751531-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid officier van justitie in vordering tot in behandeling nemen Europees aanhoudingsbevel wegens intrekking door Franse autoriteiten

De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 maart 2021 de vordering van de officier van justitie tot in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse autoriteiten tegen een Nederlandse ingezetene.

Het EAB betrof een vrijheidsstraf van vijf jaar opgelegd door de Correctionele Rechtbank te Bordeaux bij verstek. Tijdens de procedure werd duidelijk dat het Franse vonnis op 17 april 2020 onherroepelijk was geworden en dat de Franse autoriteiten het EAB zouden intrekken, mede vanwege het afgeven van een WETS-garantie betreffende de opgeëiste persoon.

De rechtbank constateerde dat de overlevering niet langer gewenst was en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling nemen van het EAB. Tevens stelde de rechtbank vast dat de overleveringsdetentie was beëindigd. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot in behandeling nemen van het Europees aanhoudingsbevel en de overleveringsdetentie is beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751531-18
RK nummer: 18/8540
Datum uitspraak: 4 maart 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 december 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 maart 2017 door
Madame le Procureur de la Republique près le Tribunal de Grande Instance de Bordeaux(Frankrijk) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1959,
ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 17 januari 2019
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 januari 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. O.G. Schuur, advocaat te Rotterdam.
Tussenuitspraak 31 januari 2019
De rechtbank heeft de behandeling bij tussenuitspraak van 31 januari 2019 voor onbepaalde tijd aangehouden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit, gelet op artikel 12 OLW Pro en de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon na zijn overlevering in Frankrijk zal worden geplaatst.
Zitting 4 maart 2021
De behandeling van de vordering is in gewijzigde samenstelling voortgezet op de openbare zitting van 4 maart 2021 in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. H.J. Andel, advocaat te Rotterdam, is evenmin verschenen. Wel heeft de rechtbank ter zitting telefonisch contact gezocht met de raadsman. De raadsman heeft verklaard dat hij de opgeëiste persoon heeft geadviseerd niet ter zitting te verschijnen. Hij is zelf ook niet verschenen, omdat hij heeft begrepen dat de officier van justitie zich op het standpunt zou stellen dat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van de Correctionele Rechtbank te Bordeaux van 21 oktober 2014, gewezen bij verstek (parketnummer: 10319000053, onderzoek: E13/00006). Het vonnis is betekend aan het parket op 21 september 2015.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

4.Ontvankelijkheid officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering ex artikel 23 OLW Pro. Uit de e-mail van 3 juni 2020 van de Rechtbank Bordeaux blijkt dat het vonnis van 21 oktober 2014 onherroepelijk is geworden op 17 april 2020, omdat geen hoger beroep is ingesteld. Verzet was niet mogelijk. Nu de opgeëiste persoon over de Nederlandse nationaliteit beschikt, wordt door de uitvaardigende autoriteit een zogenoemde WETS-garantie betreffende de opgeëiste persoon opgemaakt. De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat de uitvaardigende autoriteit het EAB daarom zal intrekken.
De rechtbank maakt hieruit op dat de overlevering van de opgeëiste persoon niet langer is gewenst en zal de officier van justitie op grond van het bovenstaande niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

5.Beslissing

VERKLAARTde officier van justitie
NIET-ONTVANKELIJKin de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
STELT VASTdat de overleveringsdetentie is beëindigd.
Aldus gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. N.M. van Waterschoot en C. Huizing-Bruil, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 4 maart 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.