Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
beschikking van de kantonrechter
[verzoeker] ,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Feiten
“Beëindiging samenwerking”en de tekst:
“Bij deze wil ik aangeven dat ik per 1 september niet meer werkzaam ben voor [adres 1][ [adres 1] , ktr].”
“Ik werk tot 28 augustus zondag. Dus ik weet niet waar jij het over hebt.”
en [naam] gestuurd waarin je vraagt om overplaatsing per 1 september. Om vervolgens later weer contra berichten te sturen. De overplaatsing die ik je aanbiedt is in dit kader meedenkend, oplossingsgericht en uiterst meedenkend.(…)
Geschil
Primair:
Beoordeling
28 augustus 2020 niet langer bij [adres 1] te werken in redelijkheid niet kunnen opvatten als een opzegging van zijn dienstverband. Vast staat dat bij [verweerster] vanaf begin juli 2020 bekend was dat [verzoeker] overgeplaatst wilde worden naar de sportschool van [naam dochtervennootschap] aan de [adres 2] . [naam medewerker] heeft meteen duidelijk gemaakt dat overplaatsing op dat moment niet aan de orde was, maar niet uitgesloten dat dat op een later moment wel mogelijk zou kunnen zijn. De samenwerking met [naam clubmanager] verliep uiterst stroef en was dan ook voor [verzoeker] reden om zijn overplaatsing door te drukken. Hij heeft hierover, zonder dat mede te delen aan [naam medewerker] , overleg gehad met de leidinggevende van de sportschool aan de [adres 2] . Toen deze aan hem berichtte dat er voor hem plaats was, heeft [verzoeker] [naam clubmanager] hiervan op de hoogte gesteld en hem een en ander schriftelijk bevestigd bij bericht van 16 juli 2020. De
e-mail is aan [naam clubmanager] gericht en niet aan regiomanager [naam medewerker] , die, zo was ook voor [verzoeker] duidelijk, over zaken betreffende de arbeidsovereenkomst, ontslag en overplaatsingen gaat. Tegen deze achtergrond kan de e-mail van [verzoeker] niet anders worden gelezen dan als een beëindiging van zijn werkzaamheden bij de sportschool aan de [adres 1] in het kader van de overplaatsing naar de [adres 2] en niet als een ondubbelzinnige opzegging van zijn dienstverband. Dat [naam medewerker] dit ook zo heeft opgevat, volgt uit de omstandigheid dat hij in het latere gesprek (zie 1.11) heeft medegedeeld aan [verzoeker] dat geen sprake zou zijn van overplaatsing op de korte termijn en dat [verzoeker] werd gevraagd om de samenwerking met [naam clubmanager] te verbeteren.
e-mail daarom niet mogen concluderen dat [verzoeker] zijn dienstverband opzegde. Het had op de weg van [verweerster] , als goed werkgever, gelegen om bij [verzoeker] na te vragen wat precies zijn bedoeling was en of hij daadwerkelijk zijn arbeidsovereenkomst wilde opzeggen dan wel tenminste op dat moment of kort daarna te bevestigen dat zij dit zag als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Nu zij dit niet heeft gedaan en [naam medewerker] vervolgens in augustus 2020 opnieuw met [verzoeker] heeft gesproken over de samenwerking met [naam clubmanager] en hem uiteindelijk op 15 augustus 2020 een overplaatsing naar de sportschool aan de [adres 2] heeft aangeboden tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden, kon [verweerster] op 18 augustus 2020 de berichten van
16 en 30 juli 2020 niet meer aanmerken als een opzegging van zijn arbeidsovereenkomst. Dat [verweerster] dit ook niet zo heeft gezien blijkt overigens uit de brief van 15 augustus 2020 van [naam medewerker] , waarin hij schrijft dat [verzoeker] “formeel” zijn dienstverband heeft opgezegd, maar dat hij desondanks bij [naam dochtervennootschap] , weliswaar bij een andere sportschool, kan blijven werken. Hieruit volgt dat het ook voor [verweerster] duidelijk was dat [verzoeker] zijn dienstverband wilde voortzetten, alleen niet bij de sportschool aan de [adres 1] .
30 juli 2020 op 18 augustus 2020 in redelijkheid niet (meer) kon aangrijpen als een opzegging, zodat deze niet hebben geleid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De primair verzochte verklaring voor recht en de vordering tot doorbetaling van het loon zijn dan ook toewijsbaar.
18 augustus 2020 duidelijker moeten uitleggen waarom hij, hoewel hij eerder instemde met overplaatsing, het schriftelijke contract niet wilde tekenen en had hij zeker niet gedurende zijn dienst naar huis moeten gaan. Hij heeft weliswaar diezelfde dag om 21.53 uur nog laten weten beschikbaar te zijn voor werk, maar zijn dienst van die dag, waarvoor hij tot 22.00 uur was ingeroosterd, was op dat moment nog niet afgelopen, zodat hij zich op het moment van het bericht feitelijk niet beschikbaar hield voor de ingeroosterde werkzaamheden.