Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
de stichting STICHTING DE ALLIANTIE,
[gedaagde] ,
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het instructievonnis;
- de dagbepaling mondelinge behandeling.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
€ 5.000,00 bij constatering, vermeerderd met € 50,00 per dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 25.000,00. Daarnaast is in de algemene voorwaarden bepaald dat [gedaagde] onverminderd de boete verplicht is tot winstafdracht bij verboden onderhuur, welke winst wordt vermoed 250% van de kale huur te bedragen.
Vordering en verweer
a. de kosten van de ontruiming, indien [gedaagde] daar niet vrijwillig aan voldoet;
b. € 5.000,00 aan contractuele boete, te vermeerderen met € 50,00 per dag vanaf 22 april 2020 tot de dag dat [gedaagde] de woning aan De Alliantie ter beschikking stelt, met een maximum van € 25.000,00;
c. de proceskosten.
Boordeling
woont – zijn zoon en diens gezin in de woning laat wonen. Op grond van de huurovereenkomst mag dat niet, tenzij De Alliantie daar toestemming voor heeft gegeven. Dat De Alliantie die toestemming heeft gegeven blijkt nergens uit. Hoewel De Alliantie in deze kwestie niet heel voortvarend heeft opgetreden en zij, gelet op de inschrijvingen in het Bevolkingsregister en het huisbezoek van 7 februari 2018 had kunnen vermoeden dat de zoon van [gedaagde] er (ook) woonde met zijn gezin, kan uit het stilzitten van De Alliantie nadien, geen toestemming voor de inwoning worden afgeleid. [gedaagde] is op dit punt dus tekortgeschoten.
(HvJ EU, 10 september 2020, ECLI:EU:C:2020:687).
€ 5.000,00 oplevert. Dat komt overeen met ongeveer 10 maanden huur. Daarnaast wordt in het oordeel betrokken dat De Alliantie op grond van de algemene voorwaarden aanspraak zou kunnen maken op een boete vanwege het niet hebben van hoofdverblijf, die tussen € 2.500,00 en € 15.000,00 kan liggen. Daar bovenop staat in de algemene voorwaarden nog de verplichting tot afdracht van genoten winst, die bovendien vermoed wordt 250% van de huurprijs te bedragen. Voor zover die verplichting tot winstafdracht (mede) gebaseerd is op artikel 6:104 Burgerlijk Pro Wetboek, kan deze naar het oordeel van de kantonrechter worden gelijkgesteld met een contractuele sanctie. De Alliantie hoeft haar schade immers niet te bewijzen, maar deze wordt (of kan worden) begroot op de genoten winst, in dit geval op basis van een concreet benoemd percentage van de huur. Dit leidt in onderling verband en samenhang tot het oordeel dat de boete oneerlijk en dus niet toewijsbaar is.