De rechtbank Amsterdam behandelde op 11 september 2020 de vordering tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Liège. De opgeëiste persoon werd verdacht van strafbare feiten met betrekking tot illegale handel in verdovende middelen, waarvoor een vrijheidsstraf van ten minste drie jaar staat volgens Belgisch recht.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was en dat de strafbare feiten ook onder Nederlandse wetgeving strafbaar zijn. De gevraagde overlevering werd niet geweigerd op grond van dubbele strafbaarheid, aangezien de feiten voorkomen op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet (OLW). De rechtbank nam kennis van een garantie van de Belgische autoriteiten dat, indien de opgeëiste persoon in België onherroepelijk wordt veroordeeld tot een vrijheidsstraf, hij deze straf in Nederland zal ondergaan.
Hoewel het EAB betrekking had op een strafbaar feit dat gedeeltelijk in Nederland zou zijn gepleegd, werd op verzoek van de officier van justitie afgezien van de weigeringsgrond die overlevering in dat geval kan verbieden. De verdediging voerde aan dat de detentieomstandigheden in België, mede vanwege het coronavirus, reden waren om overlevering te weigeren of aan te houden, maar de rechtbank vond geen objectieve en actuele aanwijzingen voor onmenselijke behandeling of verhoogd risico.
De rechtbank concludeerde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig waren. De overlevering werd daarom toegestaan en de uitspraak is niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel.