De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 november 2020 de vordering tot overlevering van een persoon aan Letland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Kurzeme District Court. De zaak betrof strafbare feiten waaronder diefstal door meerdere personen, valsheid in geschrift en oplichting. De verdachte werd bijgestaan door een raadsman en een tolk tijdens de zitting die via telehoren plaatsvond.
De rechtbank stelde de identiteit van de opgeëiste persoon vast en bevestigde diens Letse nationaliteit. Vervolgens beoordeelde de rechtbank de inhoud van het EAB en stelde vast dat het voldeed aan de wettelijke eisen van de Overleveringswet (OLW), waaronder de toetsing van dubbele strafbaarheid voor de genoemde feiten. De feiten waren ook strafbaar volgens Nederlands recht.
De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig waren die overlevering in de weg stonden. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De beslissing werd genomen door voorzitter C. Klomp en rechters J.A.A.G. de Vries en M.J. Alink.