Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- dagvaarding van 3 januari 2020;
- conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke eis in reconventie;
- conclusie van antwoord in reconventie;
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 28 mei 2020.
Rechtbank Amsterdam
Partijen, voormalige samenwonenden met drie meerderjarige kinderen, sloten op 12 april 2019 een vaststellingsovereenkomst over de verdeling van hun gemeenschappelijke eigendommen na beëindiging van hun relatie. De vrouw stelde dat zij deze overeenkomst buitengerechtelijk had vernietigd wegens bedreiging en misbruik van omstandigheden door de man, en dat zij financieel benadeeld was door een onjuiste waardering van onroerende zaken.
De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst niet buitengerechtelijk vernietigd kon worden omdat de man niet berustte in de vernietiging en het ging om registergoederen. De vrouw slaagde er niet in voldoende bewijs te leveren voor bedreiging of misbruik van omstandigheden. Haar psychische toestand werd onvoldoende onderbouwd om te concluderen dat zij niet in staat was haar wil te bepalen. Ook het beroep op dwaling faalde omdat partijen bewust waren overeengekomen de WOZ-waarde als uitgangspunt te nemen.
Verder werd geoordeeld dat de vrouw onvoldoende bewijs leverde dat de man de sieraden ter waarde van €10.000,- nog in bezit had. De vorderingen van de vrouw werden afgewezen en partijen droegen ieder hun eigen proceskosten. De voorwaardelijke reconventionele vorderingen van de man behoefden geen behandeling.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst af en bevestigt de verdeling van de gemeenschappelijke goederen.