Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek en het verweer
4.De standpunten
5.De beoordeling
6.De beslissing
Amsterdam
Rechtbank Amsterdam
De pleegmoeder verzocht de rechtbank om het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen en haarzelf tot voogd te benoemen. De moeder verzette zich hiertegen en vroeg om gezamenlijk gezag met de pleegmoeder en een informatieregeling. De minderjarige woont sinds enkele maanden na haar geboorte bij de vader en pleegmoeder en heeft sinds haar zesde geen contact meer met haar biologische moeder.
De rechtbank oordeelde dat de pleegmoeder ontvankelijk was in haar verzoek ondanks het ontbreken van een voorafgaand verzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming, die het verzoek ondersteunde. De feitelijke situatie waarbij de minderjarige bij de pleegmoeder woont en de moeder geen contact heeft, strookt niet met de juridische situatie van het gezag. Dit vormt een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige.
De rechtbank stelde vast dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn in staat is de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding te dragen. Gezien het belang van de rust en ontwikkeling van de minderjarige werd het verzoek tot beëindiging van het gezag toegewezen en werd de pleegmoeder benoemd tot voogd. De moeder behoudt het recht op informatie en mogelijk toekomstig contact met de minderjarige. De rechtbank stelde een informatieregeling vast waarbij de pleegmoeder de moeder minimaal eens per drie maanden schriftelijk informeert over gewichtige aangelegenheden.
Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en de pleegmoeder wordt benoemd tot voogd met een informatieregeling ten gunste van de moeder.