ECLI:NL:RBAMS:2020:5384
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Gemeente mag optreden tegen voedingswarenwinkel wegens verkoop huishoudelijke artikelen
De gemeente Amsterdam legde aan een VOF een last onder bestuursdwang op om de exploitatie van een minisupermarkt en headshop in een pand te staken, omdat dit gebruik in strijd is met het bestemmingsplan Haarlemmerbuurt/Westelijke eilanden. De VOF maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om de exploitatie voort te zetten tot het bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het pand een breed assortiment voerde, waaronder voedingsmiddelen en huishoudelijke artikelen zoals toiletartikelen en verzorgingsproducten. Volgens het bestemmingsplan is een minisupermarkt een detailhandelsvestiging waar zowel voedingsmiddelen als huishoudelijke artikelen worden verkocht, met een oppervlakte tot 400 m². De rechtbank stelde vast dat het pand als minisupermarkt moet worden aangemerkt.
De VOF kon niet aantonen dat het gebruik als minisupermarkt vóór 7 september 2012 bestond, waardoor overgangsrecht niet van toepassing is. Ook het standpunt dat vergelijkbare winkels wel mochten verkopen werd verworpen. De verkoop van headshopartikelen was volgens de VOF gestaakt, maar dat deed niet af aan het verbod op de minisupermarkt.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar weinig kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht werd niet vergoed. De uitspraak werd openbaar gedaan op 6 november 2020.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de gemeente mag handhaven tegen de winkel wegens verkoop van huishoudelijke artikelen.