ECLI:NL:RBAMS:2020:527

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2020
Publicatiedatum
30 januari 2020
Zaaknummer
RK19/5402
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 2 lid 1 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 1 onder c Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 2 lid 1 onder b Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 317 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking op bezwaarschrift tegen DNA-afname en opname minderjarige veroordeelde

De rechtbank Amsterdam behandelde een bezwaarschrift van een minderjarige veroordeelde tegen het bevel tot afname van zijn DNA en opname in de DNA-databank. De veroordeelde was veroordeeld tot een leerstraf van 20 uur wegens afpersing. De raadsman voerde aan dat de afname en opname in strijd waren met het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind en dat geen zorgvuldige belangenafweging had plaatsgevonden.

De officier van justitie erkende dat bij een leerstraf geen DNA-afname en verwerking plaatsvindt en stelde het bezwaarschrift gegrond. De rechtbank stelde vast dat het misdrijf onder artikel 67 lid 1 Sv Pro valt en dat de wettelijke voorwaarden voor DNA-afname in beginsel voldaan zijn. Echter, vanwege de minderjarige leeftijd en de lichte strafmaat achtte de rechtbank de maatregel disproportioneel volgens artikel 2 lid 1 onder Pro b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift gegrond, beval vernietiging van het afgenomen DNA-materiaal en wees het verzoek tot vergoeding van rechtsbijstandkosten af wegens gebrek aan wettelijke grondslag. Tegen deze beschikking is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het bezwaarschrift wordt gegrond verklaard en het DNA-materiaal van de minderjarige veroordeelde wordt vernietigd.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/055166-19
RK: 19/5402
Beschikking op het bezwaarschrift ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats]
wonende op het [adres] ,
raadsman mr. L. Lalji,
Lalji Advocaat, Johan Huizingalaan 124 B, 1065 JE Amsterdam,
veroordeelde.

Het procesverloop

Het bezwaarschrift is op 20 september 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft de gemachtigde raadsman van veroordeelde en de officier van justitie mr. M.M. van den Berg op 22 januari 2020 in besloten raadkamer gehoord.
Veroordeelde en zijn ouders zijn, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Inhoud van het bezwaarschrift en het standpunt van de veroordeelde

Het bezwaarschrift is gericht tegen het bepalen van het DNA-profiel van veroordeelde en de opname daarvan in de DNA-databank.
De raadsman van veroordeelde heeft kort samengevat het volgende aangevoerd.
De afname van het DNA-materiaal en de opname van het DNA-profiel in de DNA-databank is in strijd met artikel 40 van Pro het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IRVK), aangezien dat artikel meebrengt dat aan de beslissing tot afname van het celmateriaal en de opname van het DNA-profiel een zorgvuldige belangenafweging ten grondslag dient te liggen, terwijl van een dergelijke belangenafweging niet blijkt. Bovendien heeft noch de officier van justitie noch de kinderrechter aangekondigd dat DNA-materiaal van veroordeelde zou worden afgenomen en dat zijn DNA-profiel in de DNA-databank zou worden opgenomen. Daardoor is bij veroordeelde het vertrouwen opgewekt dat het bij de veroordeling zou blijven.
Verder wordt, onder verwijzing naar een drietal beslissingen van de rechtbank Amsterdam, waarbij de bezwaarschriften gegrond zijn verklaard, een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.
Tot slot, wordt verzocht om veroordeling van de officier van justitie in de kosten van rechtsbijstand aan veroordeelde.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift gegrond dient te worden verklaard omdat aan de destijds minderjarige veroordeelde alleen een leerstraf is opgelegd en de officier van justitie dan geen DNA laat afnemen en verwerken.

De beoordeling

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Bij bevel van 9 augustus 2019 heeft de officier van justitie bepaald dat van veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ter bepaling en verwerking van zijn DNA-profiel.
Op 11 september 2019 is het celmateriaal van veroordeelde afgenomen.
Het bezwaarschrift is op 20 september 2019 ter griffie van deze rechtbank ingediend, derhalve binnen de in artikel 7 van Pro de Wet genoemde termijn van veertien dagen. Veroordeelde kan in zoverre worden ontvangen in zijn bezwaar.
Als grondslag van het bevel heeft gediend het vonnis van 11 juli 2019 van de kinderrechter van deze rechtbank, waarbij veroordeelde ter zake van afpersing (artikel 317 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr)) is veroordeeld tot 20 uren leerstraf, subsidiair 10 dagen jeugddetentie.
De Wet heeft als uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van Pro de Wet celmateriaal wordt afgenomen. Artikel 2 lid 1 van Pro de Wet heeft betrekking op misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv).
De rechtbank stelt vast dat artikel 317 Sr Pro, waarvoor veroordeelde tot een taakstraf is veroordeeld, valt onder de categorie misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv Pro.
Aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 juncto Pro artikel 1, onder c van de Wet is derhalve voldaan.
Het bezwaarschrift zal echter gegrond worden verklaard omdat zich een uitzondering voordoet als genoemd in artikel 2 lid Pro 1, aanhef en onder b van de Wet. Aan de destijds minderjarige veroordeelde is slechts een leerstraf van 20 uur opgelegd. Hij heeft bovendien geen andere relevante veroordelingen op zijn naam. Om die redenen is de maatregel in zijn geval disproportioneel. Het verzoek tot veroordeling van de officier van justitie in de kosten van rechtsbijstand, dient te worden afgewezen, nu daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat.
De rechtbank komt dan ook tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het bezwaarschrift gegrond;
- beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van veroordeelde
terstond zal worden vernietigd;
- wijst af de vordering tot veroordeling van de officier van justitie in de kosten van
rechtsbijstand aan veroordeelde.
Deze beslissing is gegeven door
mr. M.E. Leijten, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. Slaats, griffier
en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020.
Tegen deze beslissing staat voor veroordeelde geen rechtsmiddel open.