De rechtbank Amsterdam behandelde op 15 oktober 2020 een vordering tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Procureur des Konings te Leuven. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke vrijheidsstraf van drie jaar, waarvan nog 1095 dagen resteren, opgelegd voor deelneming aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was vastgesteld en dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen, waaronder de garantie dat het vonnis na overlevering onverwijld aan de persoon zal worden betekend en dat hij geïnformeerd wordt over zijn recht op verzet en hoger beroep. Tevens werd een terugkeergarantie gegeven door de Belgische autoriteiten, waarbij de opgeëiste persoon na onherroepelijke veroordeling in België naar Nederland zal worden overgebracht om de straf daar te ondergaan.
De verdediging voerde een onschuldverweer aan, stellende dat de opgeëiste persoon onmogelijk betrokken kon zijn bij het ten laste gelegde feit vanwege identiteitsfraude en zijn verblijf in Nederland. De rechtbank oordeelde echter dat de overgelegde bewijsstukken onvoldoende waren om dit te staven, mede omdat fysieke aanwezigheid niet noodzakelijk is voor het gepleegde feit en het bewijs slechts een deel van de pleegperiode besloeg.
Gelet op het ontbreken van weigeringsgronden en de geldende garanties, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.