AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugshandel
De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 oktober 2020 een vordering tot overlevering ingevolge een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door België. De opgeëiste persoon, met de Venezolaanse nationaliteit, wordt verdacht van illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen en is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en stelde vast dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet (OLW), waaronder de verzetgarantie. Dit houdt in dat de opgeëiste persoon na overlevering onverwijld wordt geïnformeerd over zijn recht op verzet en hoger beroep, met de mogelijkheid om aanwezig te zijn en nieuw bewijs aan te voeren.
Verder concludeerde de rechtbank dat er geen weigeringsgronden op grond van artikel 12 enPro 13 OLW van toepassing zijn, aangezien de opgeëiste persoon niet persoonlijk was verschenen bij de oorspronkelijke behandeling, maar de juiste garanties zijn gegeven, en het feit zich geheel op Belgisch grondgebied heeft voorgedaan.
De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan, waarbij geen gewoon rechtsmiddel openstaat tegen deze uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe voor de uitvoering van een gevangenisstraf van vijf jaar.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751609-20
RK nummer: 20/3469
Datum uitspraak: 1 oktober 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 OverleveringswetPro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 juli 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 januari 2020 door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen - afdeling Turnhout(België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboortedag] 1974
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
thans gedetineerd in het Justitieel Complex [locatie]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1.Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 oktober 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek, en de gemachtigde raadsman van de opgeëiste persoon, mr. L.J. Woltring te Haarlem.
De opgeëiste persoon heeft bij verklaring van 23 september 2020 afstand gedaan van zijn recht om ter zitting van de rechtbank aanwezig te zijn.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Venezolaanse nationaliteit heeft.
3.Referte
De gemachtigde raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank en verzet zich niet tegen het voorstel van de officier van justitie om in deze zaak direct uitspraak te doen.
4.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen - afdeling Antwerpen van 28 juni 2019, vonnisnummer: 2019/3602 - dossiernummer: 15RA47071 - AN60.98.3490/15.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB onder d) het volgende verklaard:
3.4.
de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar
- de beslissing zal hem na overlevering onverwijld persoonlijk betekend worden, en
- de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd
over zijn recht op een verzetsprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het
recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en
nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de
oorspronkelijke beslissing, en
- de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet (namelijk 15 dagen) of hoger beroep of hoger beroep aan te tekenen (namelijk 30 dagen).
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.
5.Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW
De officier van justitie vordert dat afgezien wordt van de weigeringsgrond van artikel 13 OLWPro, primair omdat volgens haar het feit zich niet op Nederlands grondgebied heeft afgespeeld.
De rechtbank overweegt dat, aanknopingspunten dat het feit voor een gedeelte in Nederland is gepleegd ontbreken en gaat er daarom vanuit dat het feit waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld zich geheel op Belgisch grondgebied heeft afgespeeld. Dit betekent dat een situatie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, OLW zich niet voordoet.
7.Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
8.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
11.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëste persoon]van het Parket van de procureur des Konings Antwerpen - afdeling Turnhout(België).
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. M.C.M. hamer en E.G.M.M. van Gessel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 1 oktober 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.