Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Waardering van het bewijs
4.Het bewijs
5.De strafbaarheid van het feit
6.De strafbaarheid van verdachte
7.Motivering van de straf
8.Toepasselijke wettelijk voorschriften
Beslissing
Rechtbank Amsterdam
Op 11 april 2020 heeft verdachte gevaren op de Amstel, een gebied waarvoor een vaarverbod gold krachtens de noodverordening COVID-19 van 2 april 2020. Hoewel verdachte stelde het verboden gebied snel te willen verlaten, werd vastgesteld dat hij het verbod heeft overtreden.
De kantonrechter oordeelde dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk was in haar vordering, ondanks dat er geen waarschuwing vooraf was gegeven. Dit werd onderbouwd met verwijzing naar het interne handhavingsbeleid en de toelichting van minister Grapperhaus in de Tweede Kamer, waarin werd aangegeven dat een waarschuwing niet altijd vereist is en burgers hieraan geen rechten kunnen ontlenen.
De strafbaarheid van het feit werd bevestigd, waarbij het vaarverbod als een toegestane beperking van het grondrecht op bewegingsvrijheid werd gezien, passend binnen de proportionaliteit en subsidiariteit. Verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €95, te vervangen door één dag hechtenis bij niet-betaling. De eerdere strafbeschikking werd vernietigd en verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €95 wegens overtreding van het vaarverbod in de Amstel.