ECLI:NL:RBAMS:2020:4941

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 oktober 2020
Publicatiedatum
12 oktober 2020
Zaaknummer
13-728018-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 SvArt. 6:1:1 SvArt. 6:1:2 SvArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking op verzoek tot opheffing voorlopige hechtenis na opschorting tenuitvoerlegging vrijheidsstraf

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte, die op 3 februari 2020 voor 60 dagen gevangenhouding was bevolen. De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in een andere zaak leidde tot opschorting van het bevel tot gevangenhouding vanaf 11 maart 2020.

De rechtbank overwoog dat het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat voorlopige hechtenis en vrijheidsstraf niet gelijktijdig kunnen worden uitgevoerd, waardoor de opschorting zonder rechterlijke tussenkomst mogelijk is. De beslissing van de Minister om de tenuitvoerlegging van de straf voor te laten gaan, kan voor verdachte minder bezwarend zijn omdat het regime van voorlopige hechtenis zwaarder is en onzekerheid over aftrek bestaat.

De stelling van verdachte dat het bevel tot gevangenhouding was geëxpireerd werd verworpen. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd daarom afgewezen. De beschikking werd gegeven in raadkamer op 6 oktober 2020 door drie rechters onder voorzitterschap van mr. N.J. Koene.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen vanwege de wettelijke opschorting door tenuitvoerlegging van een andere straf.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/728018-18
Beschikking op het verzoekschrift dat is ingekomen ter griffie van deze rechtbank op
15 september 2020 en dat strekt tot opheffing van de voorlopige hechtenis van:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats], wonende op het adres [adres],
[plaats], gedetineerd in Justitieel Complex [locatie].

PROCESGANG

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het bevel tot gevangenhouding van verdachte.
De rechtbank heeft in raadkamer van 5 oktober 2020 de officier van justitie en de raadslieden op het verzoek gehoord.

BEOORDELING

Op 3 februari 2020 is door de rechtbank de gevangenhouding bevolen voor de duur van
60 dagen. De rechtbank begrijpt uit wat de officier van justitie naar voren heeft gebracht dat de Minister van Veiligheid en Justitie besloten heeft tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf aan verdachte in een andere zaak ([naam]) en dat dit op 11 maart 2020 is gebeurd. De wettelijke basis voor tenuitvoerlegging van straffen is gelegen in artikel 6:1:1 en Pro 6:1:2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Daardoor is het bevel voorlopige hechtenis, zonder tussenkomst van de rechter, opgeschort tot het moment waarop de executie van de vrijheidsstraf is voltooid. Dat volgt uit het stelsel van de wet
(en met name artikel 68 Sv Pro), namelijk dat samenloop van voorlopige hechtenis en vrijheidsstraf niet mogelijk is. Een beslissing van de Minister om de tenuitvoerlegging van de straf voor te laten gaan, kan er in gelegen zijn dat dit voor verdachte minder bezwarend is omdat het regime van voorlopige hechtenis zwaarder is en het ook onzeker is of de voorlopige hechtenis in de lopende strafzaak tot aftrek kan komen. Dit is in lijn met artikel 5 EVRM Pro.
De stelling van verdachte dat het bevel gevangenhouding in deze zaak is geëxpireerd is dus niet juist. Het verzoek om opheffing wordt daarom afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 6 oktober 2020 door
mr. N.J. Koene, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en A.A. Fase, rechters,
in tegenwoordigheid van S.C.M. Plat, griffier.
mr. N.J. Koene, voorzitter,
S.C.M. Plat, griffier.