Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Procesgang
2.Inhoud verzoekschrift
3.Standpunt van het Openbaar Ministerie
4.Beoordeling
5.Beslissing
af.
Rechtbank Amsterdam
Verzoeker, die een gevangenisstraf van 6,5 jaar uitzit, verzocht de rechtbank om kwijtschelding of vermindering van een opgelegde ontnemingsmaatregel van €807.587,61 wegens betalingsonmacht. Hij ontvangt geen inkomen en heeft geen bezittingen, waardoor hij niet aan de betalingsverplichting kan voldoen. De raadsman voerde aan dat verzoeker gedetineerd is en daardoor betalingsonmacht bestaat.
Het Openbaar Ministerie stelde zich op het standpunt dat er sprake is van een kennelijke verdiencapaciteit en dat de betalingsonmacht slechts tijdelijk is. Het CJIB gaf aan dat conservatoir beslag is gelegd op een bedrag van €5.500,05 en dat een maandelijkse betaling van €4.450 noodzakelijk is om binnen de executieverjaringstermijn af te lossen.
De rechtbank concludeerde dat er geen concrete aanwijzingen zijn voor betalingsonmacht. Verzoeker heeft volgens het CJIB in het verleden een fors financieel voordeel genoten dat vermoedelijk is weggesluisd, onder meer naar het buitenland. De executieverjaringstermijn loopt tot 2034, waardoor verzoeker voldoende tijd heeft om te betalen. Het verzoek tot kwijtschelding wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding van de ontnemingsmaatregel wordt afgewezen wegens het ontbreken van betalingsonmacht.