ECLI:NL:RBAMS:2020:432

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2020
Publicatiedatum
27 januari 2020
Zaaknummer
C/13/677084 / FA RK 19/7899
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Wet BOPZ§ 2 hoofdstuk 2 Wet BOPZ
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis

De officier van justitie verzocht om een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis voor betrokkene, die een manisch psychotisch toestandsbeeld heeft. Betrokkene verblijft momenteel in een kliniek en wacht op een woning.

Tijdens de zitting gaf betrokkene aan dat het goed met haar gaat en dat zij niet op de hoogte was van het gedwongen kader. Zij wil vrijwillig in de kliniek blijven en medicatie innemen. De behandelend arts meldde dat het gevaar aanzienlijk is verminderd en dat gedwongen opname niet langer noodzakelijk is.

De rechtbank concludeert dat hoewel betrokkene een stoornis heeft en gevaar veroorzaakt, dit gevaar kan worden afgewend door vrijwillige behandeling. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot machtiging voortgezet verblijf af en acht vrijwillige opname een passend alternatief.

Uitkomst: Verzoek tot machtiging voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis wordt afgewezen vanwege alternatief van vrijwillige behandeling.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/677084 / FA RK 19/7899
kenmerk: OMZ393300
Beschikking van 15 januari 2020 betreffende machtiging voortgezet verblijf
De officier van justitie heeft op 13 december 2019 een verzoek ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1964,
wonende te [woonplaats], [adres],
verblijvende te [verblijfplaats], [naam instelling], locatie [locatie].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder een op 11 december 2019 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 16 van Pro de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ) van [A], geneesheer-directeur van het genoemde ziekenhuis.
Het verzoek is behandeld op de mondelinge behandeling van 15 januari 2020.
Gehoord zijn:
betrokkene,
raadsvrouw van betrokkene, mr. C. Stroobach,
behandelend arts, dhr. L. van Helvert.

1.De beoordeling

Uit de overgelegde stukken, het gehouden verhoor en de verkregen inlichtingen is het volgende gebleken.
Betrokkene heeft ter zitting meegedeeld dat het goed met haar gaat. Zij is nog nooit opgenomen geweest. Ze was er niet van op de hoogte dat ze nu in het gedwongen kader in de kliniek verblijft.
Betrokkene wacht al twee jaar op een woning en staat hoog op de wachtlijst. De verwachting is dat zij binnen een half jaar een woning van de gemeente krijgt toegewezen. Betrokkene is akkoord om in het vrijwillig kader in de kliniek te blijven. Zodra zij een woning toegewezen krijgt, wil zij de gelegenheid krijgen om daar naar toe te verhuizen.
De raadsvrouw heeft ter zitting geconcludeerd tot afwijzing van de vordering omdat betrokkene in het vrijwillig kader opgenomen en behandeld wil worden. Zij neemt haar medicatie in. Bovendien kan zij nergens anders heen. Als betrokkene een woning krijgt toegewezen, moet zij toestemming krijgen om de kliniek te verlaten.
De behandelend arts heeft ter zitting meegedeeld dat het een stuk beter gaat met betrokkene. De stoornis en de onderliggende psychose zijn nog aanwezig maar het gevaar is een stuk minder. Na een aantal aanvaringen met het behandelteam is de samenwerking nu veel beter. De medicatie is aangepast.
De arts concludeert dat een gedwongen opname niet meer nodig om het gevaar af te wenden. Het is wel raadzaam om in gesprek te blijven met betrokkene gezien het verleden en het toen aanwezige gevaar, aldus de arts.
De rechtbank is, gelet op de inhoud van de geneeskundige verklaring en de toelichting daarop ter zitting van de psychiater, van oordeel dat betrokkene door een stoornis van de geestvermogens, te weten een manisch psychotisch toestandsbeeld, welke stoornis ook na afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn, gevaar veroorzaakt. Het gevaar, te weten gevaar dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen, gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten gronde zal gaan en gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen, kan niet worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis.
.
De rechtbank is echter gelet op hetgeen op de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, van oordeel dat er een alternatief, anders dan een klinische opname van betrokkene, voorhanden is om een eventueel toekomstig gevaar af te wenden, namelijk behandeling van betrokkene op vrijwillige basis. Nu betrokkene duidelijk heeft meegedeeld achter een dergelijke behandeling te staan, gaat de rechtbank er van uit dat betrokkene deze bereidheid gestand zal doen. De rechtbank zal het onderhavige verzoek derhalve afwijzen.
De rechtbank heeft acht geslagen op het bepaalde in § 2 van hoofdstuk 2 van de Wet BOPZ.

2.De beslissing

De rechtbank
wijst afde machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, rechter, in tegenwoordigheid van M.E. Langewisch, griffier, op 15 januari 2020.