Uitspraak
- Na het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter civiel zijn, met instemming van de medezeggenschapsraad, twee nieuwe bestuursleden benoemd, te weten de heer [naam 1] als dagelijks bestuurder en de heer [naam 2] als nieuwe algemeen bestuurder. Daarnaast is mevrouw [naam 3] aangesteld als (operationeel) interim-schooldirecteur.
- Het bestuur van SIO heeft begin juni 2020 een onderzoekbureau ingeschakeld om onderzoek te doen naar signalen met betrekking tot de angstcultuur, intimidatie, vermeende fraude en misbruik van vertrouwelijke data zoals AVG gegevens, geluidsopnamen en beelden die [eiser] mogelijk voor eigen belang heeft gemaakt. Ten tijde van de zitting in deze zaak was het onderzoek nog niet afgerond.
- De medezeggenschapsraad heeft in een verklaring van 2 juli 2020 tot uitdrukking gebracht, kort samengevat, unaniem achter het (nieuwe) bestuur te staan en een eventuele terugkeer van [eiser] onwenselijk te achten. Dat zou volgens de medezeggenschapsraad schadelijk zijn voor het Haga .
- Door SIO is een Tussenrapport Onderwijsinspectie in het geding gebracht dat de stand van zaken bij het Haga per 15 juli 2020 beschrijft. Daarin wordt melding gemaakt van de bestuurscrisis en dat de interne strijd gepaard ging met berichten over een angstcultuur als gevolg van autoritair en intimiderend optreden van [eiser] . Ook wordt vermeld dat met de komst van een interim-bestuurder en interim-directeur er een toenemend vooruitzicht is op herstel van de tekortkomingen in het bestuur, waarbij onder andere wordt gewezen op meer spreiding van taken en bevoegdheden en versterking van intern toezicht.
- Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat [eiser] een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt waarin hij verzoekt het ontslag op staande voet te vernietigen. Namens SIO is ter zitting meegedeeld dat men overweegt in geval een dergelijke procedure aanhangig wordt gemaakt een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen.
- SIO te veroordelen om in de toekomst aan [eiser] zijn gebruikelijk salaris te
- SlO te veroordelen tot intrekking van het ontslagbesluit van 2 juni 2020 als
- SIO te veroordelen tot intrekking van het schorsingsbesluit van [eiser] van
- SIO te veroordelen in de (proces)kosten van deze procedure, waaronder het door
- In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de te verwachten vordering van [eiser] in een bodemprocedure, te weten de vernietiging van het ontslag op staande voet, een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Daarbij gaat de kantonrechter in afwachting van de beslissing van het hof in de zaak van de schorsing/ontslag van [eiser] als bestuurder ervan uit dat de daarop betrekking hebbende besluiten rechtsgeldig zijn genomen.
- De rechtspositie van een directeur/bestuurder van de stichting kenmerkt zich door de aanwezigheid van een dubbele rechtsbetrekking: een rechtspersoonsrechtelijke verhouding en een contractuele verhouding (de arbeidsovereenkomst). Bij de stichting heeft het ontslag als bestuurder niet automatisch tot gevolg dat in beginsel ook de arbeidsovereenkomst met de bestuurder eindigt. Uit artikel 7:671 BW Pro vloeit voort dat voor een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever schriftelijke instemming van de werknemer of toestemming van het UWV vereist is. Deze verplichting geldt niet indien het een opzegging van een bestuurder van een rechtspersoon betreft van wie herstel van de arbeidsovereenkomst op grond van boek 2 BW niet mogelijk is (artikel 7:671 lid 1 sub e BW Pro). De stichting valt niet onder deze uitzondering van artikel 7:671 lid 1 sub e BW Pro. Voor de bestuurder van een stichting is dus een andere positie gecreëerd dan voor bestuurders van andere rechtspersonen.
- Dat wordt anders als straks het Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen wet wordt. Dit wetsvoorstel is inmiddels door de Tweede Kamer aangenomen en is momenteel in behandeling bij de Eerste Kamer. Straks zal ook voor stichtingen gaan gelden dat de rechter geen veroordeling tot herstel van de arbeidsverhouding kan uitspreken (art. 2:298a Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen). Dat betekent dat rechtspersonenrechtelijk ontslag van een stichtingsbestuurder straks, net als bij andere rechtspersonen, in beginsel het einde van de arbeidsovereenkomst met zich meebrengt.
- Zover is het echter nog niet en dat betekent dat de vordering van [eiser] langs de gebruikelijke meetlat moet worden gelegd die geldt bij een ontslag op staande voet. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet stelt de kantonrechter het volgende voorop. Het ontslag op staande voet is een ultimum remedium, dat, gelet op de verstrekkende gevolgen ervan, slechts bij uitzondering mag worden gegeven. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW Pro worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW Pro beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag óf van zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Verder geldt als uitgangspunt dat op SIO als werkgever de stelplicht en bewijslast rust van het bestaan en de dringendheid van de ontslagreden.
- De gronden van het ontslag op staande voet zijn vermeld in de ontslagbrief van 2 juni 2020. [eiser] worden ook andere verwijten gemaakt, gerelateerd aan gedragingen vóór en na de ontslagbrief, maar nu deze blijkens de ontslagbrief niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd, dienen deze hier buiten beschouwing te blijven.
- Aan het ontslag op staande voet zijn drie redenen ten grondslag gelegd. [eiser] zou hebben gehandeld in strijd met regels van privacy en schade hebben toegebracht aan de goede naam en eer van [voorzitter] door camerabeelden van [voorzitter] door te spelen naar derden. Daarnaast (de tweede reden) hebben meerdere betrokkenen (waaronder ouders) het sterke vermoeden, althans de angst heerst dat ook van hen beelden door [eiser] zijn vastgelegd waardoor zij zich niet veilig voelen op het Haga . [eiser] heeft deze gedragingen ontkend. Hij heeft betwist dat hij beelden van [voorzitter] die op de bewakingscamera’s van de school op 25 mei 2020 zijn vastgelegd heeft doorgespeeld aan derden en hij betwist ook dat de beelden van bewakingscamera’s alleen bij hem (op zijn mobiele telefoon) binnen komen. Ook anderen zouden de camerabeelden kunnen uitlezen, zo heeft [eiser] ter zitting naar voren gebracht. SIO heeft aangevoerd dat volgens haar [eiser] de enige persoon is die de beelden kan uitlezen omdat hij over de benodigde inlogcodes etc. beschikt. Daaraan ontleent SIO het vermoeden dat [eiser] de beelden heeft verspreid aan derden, welke derden deze beelden vervolgens op Facebook hebben geplaatst, waardoor er een hetze op sociale media tegen [voorzitter] is ontstaan.
- Naar het oordeel van de kantonrechter zijn deze verweten gedragingen, en dat geldt ook voor de vermeende beelden die ten aanzien van anderen (waaronder ouders) zouden zijn vastgelegd, met hetgeen tot nu toe aan onderbouwing in het geding is gebracht, nog niet komen vast te staan. Dat geldt zowel voor de stelling dat [eiser] de enige persoon is (geweest) die de beelden van de bewakingscamera kon uitlezen als voor de stelling dat hij degene is geweest die de beelden vervolgens onder derden heeft verspreid. Op deze punten is nadere bewijsvoering nodig, voor welke bewijsvoering in kort geding geen plaats is. Aan de eis dat deze redenen voor ontslag op staande voet tenminste feitelijk aannemelijk zijn gemaakt is tot nu toe niet voldaan. Na afronding van het onderzoek dat nog gaande is, wordt dat wellicht anders, maar die uitkomsten zijn nog niet beschikbaar.
- De derde reden die aan het ontslag op staande voet ten grondslag wordt gelegd is dat [eiser] spullen, zoals bankpasjes, sleutels, inlogcodes etc., welke spullen in het schorsingsbesluit van 25 mei 2020 zijn genoemd, ten onrechte niet aan SIO heeft teruggegeven, waardoor een goede gang van zaken op het Haga wordt bemoeilijkt. Naar het oordeel van de kantonrechter is duidelijk dat [eiser] zich in eerste instantie niet bij het schorsingsbesluit van 25 mei 2020 heeft neergelegd. Zo heeft hij zich nadien, samen met [secretaris] , in een brief tot de ouders van leerlingen gewend. Hij heeft evenmin meteen alle genoemde spullen ingeleverd. Hij is daartoe eerst na de veroordeling door de voorzieningenrechter civiel op 10 juni 2020 overgegaan. SIO heeft uiteengezet dat die overdracht van met name bankgegevens zo gebrekkig was dat zij eerst begin juli 2020 toegang kreeg tot haar ING-rekening. Voor de beoordeling van het ontslag op staande voet is echter de situatie op 2 juni 2020 beslissend. Dat [eiser] na het schorsingsbesluit van 25 mei 2020 in eerste instantie terughoudend was in het verstrekken van de betreffende spullen is wel enigszins begrijpelijk, nu hij in een juridische strijd met [voorzitter] was verwikkeld en arbeidsrechtelijk nog niet was ontslagen. De kantonrechter is van oordeel dat het niet direct voldoen aan het verzoek tot afgifte van genoemde spullen als zodanig niet een voldoende dragend argument voor een geldig ontslag op staande voet oplevert.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter van oordeel is dat het ontslag op staande voet, na toetsing in een bodemprocedure, niet zal stand houden en dat arbeidsrechtelijk gezien het ervoor moet worden gehouden dat [eiser] nog in dienst is van SIO. Dit zo zijnde kan de kwestie van de onverwijldheid verder onbesproken blijven.
- Nu de kantonrechter aannemelijk acht dat het ontslag op staande voet in de bodemprocedure niet zal standhouden, moet ervan worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat en heeft [eiser] recht op loon, nu hij zich beschikbaar houdt voor werkhervatting, maar SIO niet van zijn diensten gebruik wenst te maken. De op betaling van loon betrekking hebbende vorderingen zullen dan ook als na te melden worden toegewezen. De wettelijke verhoging zal, gezien de bijzondere omstandigheden en het feit dat het om een voorlopige voorziening gaat, worden gematigd tot nihil.
- De vordering tot wedertewerkstelling zal worden afgewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen. Hoewel het ontslag als stichtingsbestuurder in juridische zin los staat van dat van bestuurder/directeur, is er in zoverre wel een directe samenhang dat de voorzieningenrechter civiel heeft bepaald dat het [eiser] is verboden zich te begeven op het schoolterrein en in het schoolgebouw van het Haga en op enige manier contact te hebben met het personeel en de leerlingen van de school, de ouders van deze leerlingen en andere bij de school betrokken personen. Reeds daardoor valt niet in te zien hoe [eiser] zijn gebruikelijke werkzaamheden als bestuurder/directeur zou kunnen uitvoeren, nog daargelaten het feit dat er intussen een ander in zijn plaats is benoemd (zie ro. 8).
- Daarnaast is uit de door SIO overgelegde stukken gebleken dat er intussen sprake is van een vergaand gebrek aan draagvlak voor [eiser] bij het Haga . Er zijn kennelijk nog wel ouders die het voor hem opnemen, maar een grote groep (andere) ouders, leerkrachten en de medezeggenschapsraad zien onoverkomelijke problemen bij een eventuele terugkeer van [eiser] . Verder is ook uit het tussenrapport van de Onderwijsinspectie op te maken dat een eventuele terugkeer van [eiser] zeer slecht zal uitwerken op de herstelopdracht waarvoor het bestuur van SIO staat.
- Tenslotte is er, zoals ook uit de wederzijds uitlatingen van partijen ter zitting bleek, sprake van een door de kantonrechter als onoverbrugbaar ingeschatte verstoring in de verhouding tussen het “nieuwe” stichtingsbestuur en [eiser] . Er is onverminderd sprake van een diepgaand conflict en een volstrekt niet gedeeld beeld van hoe de situatie bij het Haga moeten worden aangepakt. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dan ook worden verwacht dat in geval SIO in de bodemprocedure een al dan niet voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst doet, dit op grond van – in ieder geval - een verstoring van de arbeidsrelatie (de g-grond uit artikel 7: 669 lid 3 BW) zal worden toegewezen. Ook in het licht van deze te verwachten uitkomst acht de kantonrechter het niet aangewezen dat [eiser] zijn werkzaamheden hervat.
- Nu beide partijen op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld zal worden bepaald dat ieder van partijen de eigen kosten dienen te dragen.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.