Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procesgang
2.De inhoud van het klaagschrift
3.Het standpunt van het Openbaar Ministerie
4.De beoordeling
5.De beslissing
ongegrond.
Rechtbank Amsterdam
Klager diende een klaagschrift in tegen de inhouding van zijn rijbewijs, dat was ingevorderd na gevaarlijk rijgedrag binnen de bebouwde kom van Amsterdam op 28 april 2020. Hij stelde dat hij het rijbewijs dringend nodig had voor zijn werkzaamheden bij twee coffeeshops, waaronder het vervoeren van personeel en het doen van boodschappen, en dat reizen met het openbaar vervoer geen alternatief was vanwege reistijd en coronarisico's.
De officier van justitie verzette zich tegen teruggave van het rijbewijs, stellende dat klager gevaarlijk had gereden en dat het belang van de verkeersveiligheid prevaleerde boven het persoonlijk belang van klager. Uit het strafdossier bleek dat klager meerdere verkeersovertredingen had gepleegd, waaronder een eerdere snelheidsovertreding en een onvoorwaardelijke ontzegging in 2017 wegens onverzekerd rijden.
De rechtbank oordeelde dat de inhouding van het rijbewijs rechtmatig was omdat klager door zijn gedrag de verkeersveiligheid ernstig in gevaar had gebracht en dat de officier van justitie redelijk gebruik had gemaakt van zijn bevoegdheid. Het belang van klager werd afgewogen tegen de ernst van de feiten en zijn strafblad, waarbij rekening werd gehouden met de mogelijkheid van een onvoorwaardelijke ontzegging. Het klaagschrift werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het klaagschrift tegen de inhouding van het rijbewijs wordt ongegrond verklaard vanwege gevaarlijk rijgedrag en eerdere verkeersovertredingen.