Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
veroordeelde.
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De vordering
3.Grondslag van de vordering
4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel
1.250,- euro.
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 april 2020 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van 1.250 euro in een strafzaak tegen de veroordeelde.
De officier van justitie stelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voortkwam uit twee diefstallen: een alleen gepleegde diefstal met een voordeel van 500 euro en een gezamenlijke diefstal met een voordeel van 1.500 euro, waarvan de helft aan de veroordeelde toekwam, totaal 1.250 euro. De raadsman van de veroordeelde verzocht afwijzing van deze vordering.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op 1.250 euro, maar hield rekening met een gedeeltelijke toewijzing van de schadevergoeding aan de benadeelde partij van 2.300 euro, waaronder de bedragen van 500 en 1.500 euro. Deze schadevergoeding werd in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, waardoor de vordering van de officier van justitie werd afgewezen.
De rechtbank wees de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af en deed dit vonnis in aanwezigheid van de genoemde rechters en griffier.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van 1.250 euro wordt afgewezen.