ECLI:NL:RBAMS:2020:3573

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2020
Publicatiedatum
22 juli 2020
Zaaknummer
13/751537-20
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 Wetboek van StrafrechtArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering verdachte georganiseerde diefstal aan België ondanks detentie in Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 juli 2020 het verzoek tot overlevering van een verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB betreft een strafrechtelijk onderzoek naar georganiseerde diefstal van een Range Rover in Antwerpen, waarbij de verdachte samen met anderen betrokken zou zijn geweest.

De rechtbank heeft de identiteit van de verdachte vastgesteld en de inhoud van het EAB beoordeeld. De raadsman voerde een genoegzaamheidsverweer aan, stellende dat de mate van betrokkenheid onvoldoende was omschreven, maar dit verweer werd verworpen omdat het EAB voldoende informatie bevatte over het strafbare feit en de rol van de verdachte.

De rechtbank stelde vast dat het strafbare feit op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet staat en dat de dubbele strafbaarheid is gegeven. Tevens werd een terugkeergarantie afgegeven door de Belgische autoriteiten, zodat de verdachte zijn straf in Nederland kan ondergaan. De weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro werd verworpen omdat het belang van een goede rechtsbedeling zwaarder woog.

Hoewel de verdachte betoogde dat overlevering onevenredig zou zijn vanwege zijn lopende detentie in Nederland, oordeelde de rechtbank dat geen bijzondere omstandigheden waren die dit bezwaar konden dragen. De overlevering werd daarom toegestaan en de uitspraak is onherroepelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan België toe ondanks zijn lopende detentie in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751537-20 (EAB II)
RK nummer: 20/3066
Datum uitspraak: 7 juli 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 juni 2020 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1983,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in de [naam PI] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 juli 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Blaauw, advocaat te Haarlem.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Indiase nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsmandaat bij verstek, op 19 juni 2020 uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Volgens onderdeel b) van het EAB betreft dit EAB een aanvulling op een EAB van 16 december 2019 (EAB I).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
Genoegzaamheid
De raadsman heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de omschrijving van het feit niet genoegzaam is. In het bijzonder blijkt uit de omschrijving van het feit in het EAB in het geheel niet de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het feit waarvan hij in België wordt verdacht.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de omschrijving genoegzaam is. Blijkens het EAB, bezien in samenhang met het e-mailbericht van 6 juli 2020 van de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, wordt de opgeëiste persoon ervan verdacht dat hij, samen met anderen, tussen 11 en 14 juni 2019 betrokken is geweest bij de diefstal van een Range Rover in Antwerpen.
De opgeëiste persoon stond door middel van twee door hem aangemaakte WhatsApp-groepen in contact met zijn medeverdachten. De opgeëiste persoon wordt ervan verdacht het strafbare feit te hebben gepleegd samen met zijn medeverdachten.
Het is voor de opgeëiste persoon duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Op grond van deze beschrijving kan tevens de naleving van het specialiteitsbeginsel worden gewaarborgd. Het verweer wordt verworpen.

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De procureur des Konings van het Parket van de procureur des Konings West-Vlaanderen, afdeling Brugge, heeft bij brief van 26 juni 2020 de volgende garantie gegeven:
Met verwijzing naar uw verzoek van 25/06/2020, inzake het Europees aanhoudingsbevel dd. 19-06/2020 (…) lastens de genaamde [opgeëiste persoon] ( [geboortedag] 1983) heb ik de eer u de volgende garantie te verstrekken:
Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar NEDERLAND van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar NEDERLAND zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
Het feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak of verbreking of valse sleutels.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op een strafbaar feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.
Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Belgische autoriteiten plaats te vinden.
De volgende argumenten zijn aangevoerd:
 het onderzoek is in België aangevangen;
 het bewijs bevindt zich in België;
 België heeft door het uitvaardigen van het EAB de wens geuit om de opgeëiste persoon daar strafrechtelijk te vervolgen;
 de medeverdachten worden in België vervolgd.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

7.Evenredigheid van de overlevering

De raadsman heeft betoogd dat overlevering niet opportuun is omdat de opgeëiste persoon uit anderen hoofde gedetineerd is. De einddatum van zijn detentie is pas 3 februari 2022. Indien de overlevering wordt toegestaan, dan heeft dit gevolgen voor zijn detentiefasering. De gefaseerde invrijheidstelling zal dan niet kunnen plaatsvinden, waardoor de opgelegde straf voor de opgeëiste persoon veel zwaarder wordt.
De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat de overlevering van de opgeëiste persoon onevenredig zou zijn.
Zoals zij reeds heeft overwogen in haar uitspraak van 27 mei 2020, waarin zij de overlevering voor EAB I heeft toegestaan, is de rechtbank - met de officier van justitie - van oordeel dat het verweer niet kan slagen. In lijn met eerdere uitspraken van de rechtbank dient voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid gemaakt te worden tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de Overleveringswet en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de Overleveringswet is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.
Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Alhoewel de rechtbank oog heeft voor de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in dit geval niet gebleken. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge (België).
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en J.G. Vegter, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.