De rechtbank Amsterdam heeft op 8 juli 2020 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van woninginbraak, autodiefstal en poging woninginbraak. De rechtbank sprak verdachte vrij van de woninginbraak wegens onvoldoende overtuigend bewijs, mede omdat ook de broer van verdachte in beeld was en er geen exclusieve toegang tot de opslagbox was vastgesteld.
Voor de autodiefstal en de poging woninginbraak achtte de rechtbank het bewijs, waaronder camerabeelden en herkenningen door meerdere verbalisanten, voldoende overtuigend. Verdachte werd herkend op beelden van de autodiefstal en poging woninginbraak, en het kentekenbewijs van het gestolen voertuig werd bij verdachte aangetroffen.
De rechtbank overwoog dat verdachte zich in korte tijd schuldig had gemaakt aan ernstige vermogensdelicten die maatschappelijke onveiligheid veroorzaken. Gezien de jeugdige leeftijd en het strafblad van verdachte, maar ook het advies van de reclassering om het volwassenenstrafrecht toe te passen, legde de rechtbank een gevangenisstraf op van acht maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding omdat verdachte werd vrijgesproken van de woninginbraak. De rechtbank wees erop dat de schadevergoeding via de civiele rechter kan worden gevorderd.
De straf is gebaseerd op artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.