Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Inleiding
3.Beschuldiging
medeplegen van (1A) / medeplichtigheid aan (1B) oplichting in de periode van 1 september 2015 tot en met 1 december 2015, door [naam bedrijf 1], [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] te bewegen tot afgifte van respectievelijk € 114.675,74, € 124.112,50 en € 175.654,87
4.Waardering van het bewijs
- de bedragen in de tenlastelegging heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, en
- die bedragen van misdrijf afkomstig zijn, en
- verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die bedragen van misdrijf afkomstig waren.
Het ter beschikking stellen van zijn bankrekeningen, wetende dat daarmee frauduleuze handelingen worden verricht (zoals bewezen verklaard onder feit 1C), maakt niet dat verdachte ook wetenschap en betrokkenheid heeft gehad bij deze concrete overboekingen.
5.Bewezenverklaring
- 114.675,74 euro, afkomstig van [naam bedrijf 1] en
- 124.112,50 euro, afkomstig van [naam bedrijf 2] en
- 175.654,87 euro, afkomstig van [naam bedrijf 3],
6.Motivering van de straf
7.De benadeelde partij
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
14 (veertien) maanden.