ECLI:NL:RBAMS:2020:3215

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2020
Publicatiedatum
30 juni 2020
Zaaknummer
8201508 CV EXPL 19-25038
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 111 lid 2 onder d RvAfdeling 2B van Titel 5 van Boek 6 BWRichtlijn 93/13
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende onderbouwing in consumentenzaak

Eisende partij heeft gevorderd dat gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van €902,36, gebaseerd op geleverde zaken en een factuur van april 2019. Gedaagde is niet verschenen en verstek is verleend. De kantonrechter stelt dat eisende partij niet alle voor de beoordeling relevante informatie en stukken heeft overgelegd, zoals de overeenkomst, algemene voorwaarden en factuur.

De dagvaarding vermeldde niet op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen en of de vordering gebaseerd is op algemene voorwaarden, noch is toegelicht waarom eventuele bedingen niet oneerlijk zijn in de zin van richtlijn 93/13. Hierdoor kan de kantonrechter niet ambtshalve toetsen of er sprake is van oneerlijke bedingen of of voldaan is aan wettelijke informatieverplichtingen uit Boek 6 BW.

Omdat eisende partij niet voldeed aan de stelplicht en de vereisten van artikel 21 en Pro 111 Rv, wordt de vordering als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Eisende partij wordt veroordeeld in de proceskosten, begroot op nihil aan de zijde van gedaagde.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het niet overleggen van relevante stukken.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 8201508 CV EXPL 19-25038
vonnis van: 25 juni 2020
fno.: 991

vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eiseres] B.V.

gevestigd te [woonplaats 1]
eisende partij
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats 2]
gedaagde partij
niet verschenen

Verloop van de procedure

Bij dagvaarding van 14 november 2019 heeft eisende partij gevorderd dat gedaagde partij zal worden veroordeeld tot betaling van € 902,36 met nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven.
Gedaagde partij heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

Eisende partij vordert betaling van € 778,03 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten.
Op grond van artikel 111 lid 2 onder Pro d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv Pro dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.
Gedaagde partij is consument, althans wordt vermoed consument te zijn. Om de vordering te beoordelen dient de kantonrechter te beschikken over voor de beslissing in onderhavige consumentenzaak van belang zijnde feiten en stukken. Welke feiten en stukken dat zijn, volgt uit het door de rechtbank Amsterdam op de website beschikbaar gestelde en in de periode van 1 juli 2019 tot 1 oktober 2019 bij tussenvonnis aan repeatplayers verstrekte informatieformulier voor consumentenverstekzaken, maar volgt ook uit de wet.
Geoordeeld wordt dat eisende partij niet alle voor de beoordeling relevantie informatie heeft verstrekt, noch alle van belang zijnde stukken heeft overgelegd. Ter toelichting geldt het volgende.
Eisende partij stelt in de dagvaarding - samengevat en voor zover van belang - dat eisende partij in de periode april 2019 diverse zaken aan gedaagde partij heeft verkocht en geleverd. De zaken zijn omschreven in een factuur van 11 april 2019, waarbij de overeengekomen, althans redelijke en gebruikelijke prijzen in rekening zijn gebracht. De vordering is al geruime tijd opeisbaar. Ondanks aanmaningen is niet aan de betalingsverplichting voldaan. Eisende partij maakt aanspraak op vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten.
De enige productie die eisende partij bij de dagvaarding heeft gevoegd is een veertiendagenbrief. Niet overgelegd is (een bevestiging van) de overeenkomst, de algemene voorwaarden en de factuur.
Niet gesteld of gebleken is op welke wijze de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Uit de stellingen in de dagvaarding lijkt te volgen dat er algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn, maar eisende partij heeft niet gesteld of de vordering al dan niet op deze algemene voorwaarden is gebaseerd en indien dat zo is, ontbreekt een toelichting over de vraag waarom de bedingen niet oneerlijk zijn in de zin van richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen.
Door de gebrekkige informatieverstrekking kan de kantonrechter niet ambtshalve toetsen of de vordering is gebaseerd op oneerlijke bedingen. Evenmin kan worden nagegaan of eisende partij heeft voldaan aan de wettelijke informatieverplichtingen als bedoeld in Afdeling 2B van Titel 5 van Boek 6 BW.
Eisende partij, althans haar gemachtigde, wordt geacht op de hoogte te zijn van de informatie en stukken die verstrekt dienen te worden in consumentenzaken als de onderhavige. Sinds 1 oktober 2019 wordt geen tussenvonnis meer gewezen waarbij een informatieformulier wordt verstrekt. Dat betekent dat eisende partij reeds in de dagvaarding aan de stelplicht dient te voldoen.
Nu de vordering niet, althans onvoldoende is onderbouwd met alle voor de beslissing van belang zijnde feiten en stukken, is naar het oordeel van de kantonrechter niet aan de voorschriften van de artikelen 21 Rv en 111 Rv voldaan. De vordering wordt daarom als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

Beslissing

De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.J. Ros, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.