Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek tijdens de zitting
13, 14 en 15 mei 2020.
2.Wat is de verdenking?
3.Waar gaat deze zaak over?In de namiddag van 3 juni 2016 vonden er in de straat [adres] in [plaats] ontploffingen plaats, gevolgd door een uitslaande brand. Als gevolg hiervan zijn de woningen [adres] tot en met [nummer] verwoest of onherstelbaar beschadigd.
4.Samenvatting van de beslissingen van de rechtbank in alle zaken
5.Wat kan de rechtbank in deze zaak bewijzen?
verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De dader moest anders handelen (verwijtbaarheid) en kon ook anders handelen (vermijdbaarheid). De beoordeling hiervan wordt bepaald door de manier waarop de schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is afhankelijk van het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daartoe behoort ook de eventuele bijzondere hoedanigheid van degene aan wie het schuldverwijt wordt gemaakt. Uitgangspunt is dat het gedrag wordt beoordeeld aan de hand van de maatstaf ‘de normale mens’, maar er zijn gevallen waarin voor personen (of rechtspersonen, zoals in dit geval) wegens hun bijzondere hoedanigheid hogere eisen aan hun kennis en bekwaamheid gesteld kunnen worden dan normaal het geval is (de zogenoemde
garantenstellung, waarover hierna meer). Verder moeten de aard en de ernst van de gevolgen bij de beoordeling van de schuld buiten beschouwing worden gelaten, hoe dramatisch en omvangrijk dat gevolg ook is.
Tot slot moet vast staan dat er een oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat tussen de gemaakte fout(en) en het gevaar, waarbij de redelijke toerekening een rol speelt.
garantenstellunggenoemd. Die bijzondere kwaliteit duidt op specifieke kennis of vaardigheden die een (rechts)persoon heeft, of moet hebben. Deze grotere verantwoordelijkheid werkt onder andere door bij het vaststellen van schuld. De
garantenstellunghoudt in dat de drempel voor de aansprakelijkheid als het ware wordt verlaagd.
garantenstellung, rust met name daar waar het gaat om het waarborgen dat bij werkzaamheden in de grond de geldende wet- en regelging wordt nageleefd. Zij vindt dat om de volgende redenen.
De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (hierna: WION) stelt voorwaarden aan opdrachtgevers van grondwerkzaamheden en grondroerders die mechanische (graaf)werkzaamheden in de ondergrond verrichten. Het doel van de WION is het voorkomen van graafschade aan ondergrondse kabels en leidingen. Verdachte was opdrachtgever van het project [adres] . Artikel 2, eerste lid, van de WION verplicht de opdrachtgever dat hij ervoor zorgt draagt dat de graafwerkzaamheden waartoe hij opdracht geeft op zorgvuldige wijze kunnen worden verricht.
Naast de WION was de CROW250-richtlijn van toepassing op de graafwerkzaamheden van het project [adres] . Eén van de doelen van de CROW250 is het voorkomen dat beschadigde netten (kabels en leidingen) gevaar voor personen of goederen opleveren en het voorkomen dat de schade onnodig groter wordt. Op basis van de WION en CROW250 rustte op verdachte als opdrachtgever de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze konden worden verricht ter voorkoming van graafschade aan kabels en leidingen.
Verdachte en [medeverdachte 1] hebben onvoldoende onderzoek gedaan naar de aard van de tijdens de werkzaamheden aangetroffen leidingen (gedachtestreepje 1). [medeverdachte 1] heeft geen themakaarten geraadpleegd (gedachtestreepje 2) om zo de aangetroffen onbekende leiding te identificeren. Verdachte heeft geen contact opgenomen met de juiste netbeheerder van die leiding (gedachtestreepje 3). Verdachte en [medeverdachte 1] hebben de gasleiding als waterleiding aangemerkt (gedachtestreepje 4) en [medeverdachte 1] is, in strijd met het CROW250, niet met de graafwerkzaamheden gestopt (gedachtestreepje 6). Toen bleek dat de leiding zeer dicht op de te plaatsten rioolput kwam te liggen, heeft verdachte de leiding niet laten omleggen (gedachtestreepje 7). Wel is besloten om de rioolput in te korten door er een deel af te zagen waarbij de rubberen afdekring is verwijderd (gedachtestreepje 8). Vervolgens heeft [medeverdachte 1] de ingekorte rioolput dicht op de leiding geplaatst (9) en de ingekorte rioolput afgedekt met een betonnen putdeksel en zijn openingen ontstaan bij de aansluiting van de afgezaagde rioolput (gedachtestreepje 10). Nadat het [medeverdachte 1] bekend was geworden dat de leiding een gasleiding betrof heeft hij geen contact opgenomen met de gasnetbeheerder (gedachtestreepje 11). Ook is geen toestemming gevraagd voor het machinaal graven binnen één meter van een leiding (gedachtestreepje 12). [medeverdachte 1] heeft zeer nabij die gasleiding machinaal gegraven en gewerkt (gedachtestreepje 13) en heeft met de graafmachine de gasleiding beschadigd waardoor gasuitstroom plaatsvond (gedachtestreepje 14). Hierop heeft [medeverdachte 1] de beschadigde gasleiding afgedekt met zand en een graafbak (gedachtestreepje 15).
De verwarring over de aard van de leiding is besproken met de toezichthouder [naam 1] . [naam 1] heeft verklaard dat de leiding er wit bleek uitzag en dat een gasleiding normaal gesproken geel van kleur is. Door hem zijn geen handelingen verricht om het type leiding vast te stellen zoals het voelen aan de leiding. Uiteindelijk zijn [naam 2] , [naam 3] en [naam 1] na het bekijken van de klictekening (de verzamelkaart) tot de conclusie gekomen dat de leiding de waterleiding moest zijn. Op de tekening stond namelijk op deze locatie een waterleiding ingetekend. De projectleider vanuit de [verdachte] , [naam 4] , heeft zich bij deze conclusie aangesloten. [naam 4] heeft verklaard dat hij op basis van de klictekening, de kleur en het materiaal van de leiding ervan overtuigd was dat het de waterleiding betrof. De rechtbank stelt vast dat beide partijen hebben nagelaten om contact op te nemen met de netbeheerders van de water- en gasleiding om de aard van de leiding te identificeren.
[naam 1] zelf heeft verklaard dat [medeverdachte 1] op eigen initiatief de rioolput heeft ingekort en dat deze beslissing niet met hem is besproken. Wel is hij achteraf met dit besluit akkoord gegaan. [naam 1] heeft gezegd dat hij ook toestemming zou hebben gegeven voor het inkorten van de rioolput als hem dat op dat moment was gevraagd. Nu wisselend wordt verklaard over op wiens initiatief de rioolput is ingekort, kan de rechtbank niet vaststellen welke partij daar daadwerkelijk opdracht toe heeft gegeven. Wel staat vast dat [naam 1] heeft ingestemd met het inkorten van de rioolput door een ring van de put af te zagen.
garantenstellung). Dit alles moet worden beoordeeld op basis van de situatie zoals die op 3 juni 2016 van toepassing was, en niet met de kennis van achteraf.
Op 3 juni 2016 werd voor [medeverdachte 1] duidelijk dat de leiding die vlak naast de rioolput liep een gasleiding was. Zij heeft deze informatie niet met verdachte gedeeld. Wel werd op 3 juni 2016 voor verdachte duidelijk dat de dekplaat en de leiding met elkaar in conflict kwamen. Op dat moment had het voor verdachte evident moeten zijn dat er een gevaarlijke situatie kon ontstaan die bovendien niet voldeed aan de regelgeving, en dat door de ligging van de dekplaat dicht naast de leiding de kans op het raken van de leiding een reëel risico was. Van verdachte mocht en kon worden verwacht dat zij de werkzaamheden had stilgelegd en contact had opgenomen met de netbeheerder van de leiding om de leiding al dan niet te laten omleggen. Verdachte had niet mogen volstaan met het instemmen met het inkorten van de rioolput. Nu verdachte ter zake deskundig is, had zij deze risicovolle situatie moeten onderkennen, moeten opmerken dat er in strijd met de wet- en regelgeving werd gewerkt en moeten ingrijpen. Dit alles heeft verdachte niet gedaan. Verdachte heeft zelfs toegestaan dat met de graafmachine werkzaamheden werden verricht in de nabijheid van de leiding. Verdachte heeft dan ook niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. De risico’s en gevolgen die zich hebben voorgedaan kunnen aan verdachte worden toegerekend mede door de schending van die zorgplicht.
6.Bewezenverklaring
1. onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar de aard van de tijdens de werkzaamheden aangetroffen leidingen en
2. geen zogenaamde themakaarten m.b.t. een aangetroffen onbekende leiding hebben geraadpleegd en
3. geen contact hebben opgenomen met de juiste netbeheerder van die leiding en
4. een gasleiding als waterleiding hebben aangemerkt en
6. in strijd met het CROW250 niet met de graafwerkzaamheden zijn gestopt en
7. die leiding niet hebben doen omleggen toen bleek dat die leiding lag zeer nabij de plek waar een rioolput geplaatst moest worden en
8. heeft besloten of heeft goed gevonden om de te plaatsen rioolput in te korten door het afzagen en verwijderen van een rubberen afdekring en
9. die ingekorte rioolput zeer nabij die leiding hebben geplaatst en
10. die ingekorte rioolput hebben afgedekt met een betonnen putdeksel, waarbij openingen bij de aansluiting van die afgezaagde rioolput en (put)deksel ontstonden en
11. nadat bekend was dat genoemde leiding een gasleiding betrof, geen contact hebben opgenomen met de gasnetbeheerder en
12. (in strijd met het bestek) niet vooraf toestemming heeft gevraagd aan de netbeheerder van de aangetroffen gasleiding om machinaal te graven binnen één meter van de gasleiding en
13. zeer nabij die gasleiding machinaal heeft gegraven en gewerkt en
14. met die graafmachine genoemde gasleiding heeft beschadigd waardoor gasuitstroom plaatsvond en
waardoor het aan verdachtes en haar mededaders schuld te wijten is dat vervolgens ontploffingen hebben plaatsgevonden en brand is ontstaan in woningen gelegen aan de [adres] nummers [nummer] tot en met [nummer] terwijl er gemeen gevaar voor de woningen en de in die woningen aanwezige huisraad en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de op dat moment in of nabij die woningen aanwezige bewoners en andere zich in of nabij die woningen bevindende personen is ontstaan.
7.De strafbaarheid van het feit
8.De strafbaarheid van verdachte
9.Geen straf of maatregel
Binnen het strafrecht zijn bij een rechtspersoon de voornaamste doelen van straffen vergelding en preventie. Vergelding houdt in dat degene die een strafbaar feit heeft begaan daar niet mee ‘weg mag komen’. Hij of zij verdient straf. Het slachtoffer en de samenleving verdienen genoegdoening. Met preventie wordt geprobeerd te voorkomen dat de dader nog een keer een strafbaar feit pleegt.
Het komt niet vaak voor dat een publieke rechtspersoon, in deze zaak de [publieke rechtspersoon] , strafrechtelijk wordt vervolgd. Het komt ook niet vaak voor dat een publiek rechtspersoon vervolgens daadwerkelijk wordt veroordeeld omdat haar een strafbaar verwijt valt te maken. Dat is in deze zaak wel het geval. Binnen de [publieke rechtspersoon] zal de strafvervolging op zichzelf ongetwijfeld zijn uitwerking hebben gehad en mogelijk zijn ook individuele ambtenaren geconfronteerd met de gevolgen van hun handelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte met deze strafrechtelijke veroordeling genoeg is gestraft.
10.Ten aanzien van de benadeelde partijen
11.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
zesenvijftigduizend zevenhonderdtwintig euro en vierentachtig cent) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 3 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.