Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
beschikking
[verzoeker]
[verweerster]
De procedure
- het verzoekschrift met producties, ingekomen op 23 december 2019;
- het verweerschrift met producties van [verweerster] , ingekomen op 24 februari 2020.
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een verzoek van een oud-politieagent die een voorlopig getuigenverhoor wilde bevelen om bewijs te verkrijgen over afspraken en betaling van een factuur voor werkzaamheden in een herzieningszaak. De verzoeker stelde dat de advocaat van zijn cliënt hoofdelijk aansprakelijk was voor de betaling van de factuur.
De rechtbank overwoog dat het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor in principe moet worden toegewezen, tenzij het in strijd is met de goede procesorde of misbruik van recht betreft. Omdat er een lopende hoger beroepsprocedure tegen de cliënt was over dezelfde overeenkomst, zou toewijzing van het verzoek leiden tot benadeling van die cliënt. Deze zou niet kunnen deelnemen aan het getuigenverhoor en zijn procespositie zou worden geschaad.
Ook zouden de waarborgen van artikel 193 Rv Pro in gevaar komen omdat het getuigenverhoor alleen tegen de advocaat was gericht, terwijl mogelijk bewijs tegen de cliënt zou worden verzameld. De rechtbank concludeerde dat het verzoek strijdig is met de goede procesorde en wees het af. De verzoeker werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.