Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechterkort geding
de stichting
[gedaagde] ,
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Uitgangspunten
14 dagen na betekening van het vonnis is gesteld. In het vonnis is onder meer overwogen:
“(…) In de relatie tussen huurder en verhuurder zal het zorgelement overheersend zijn en huurder kan daarom geen succesvol beroep doen op huurbescherming. De onderhuurovereenkomst zal derhalve worden beëindigd en huurder zal de woonruimte moeten verlaten, wanneer de overeenkomst zorg- en dienstverlening eindigt. (…)”.
2 juli 2019 heeft de bovenbuurvrouw bij Eigen Haard gemeld dat [gedaagde] zonder toestemming ’s avonds ineens in haar woonkamer zat. De brief vermeldt onder meer:
20 november 2019, nadat hij de woning voor de time-out van tien dagen had verlaten, dezelfde dag alweer was teruggekeerd naar de woning.
Het geschil
Beoordeling
17 december 2019 hierover met hem is gesproken. Conclusie is dan ook voorshands dat [gedaagde] tijdig op de hoogte is gesteld van de opzegging per 15 januari 2020 en dat daarbij gelet op de omstandigheden een redelijke termijn voor opzegging in acht is genomen, zoals voorgeschreven in artikel 28 van Pro de algemene leveringsvoorwaarden zorg.