ECLI:NL:RBAMS:2020:2105

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 april 2020
Publicatiedatum
2 april 2020
Zaaknummer
13/997041-18 (zaak A) en
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing voorlopige hechtenis en schorsing wegens ernstige bezwaren en persoonlijke omstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 april 2020 het verzoek van de raadsman om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen of te schorsen. De voorlopige hechtenis was gebaseerd op meerdere feiten, waaronder deelname aan een criminele organisatie, schuld-/opzetheling van paspoorten en een rijbewijs, valsheid in geschrift, schuld-/opzetheling van een auto en witwassen.

De raadsman stelde dat voor vier van de vijf feiten geen ernstige bezwaren bestonden, maar de rechtbank oordeelde dat de ernstige bezwaren nog steeds aanwezig zijn. De verklaringen van verdachte werden laat en deels onbetrouwbaar geacht, en de recidivegrond bleef onverkort gelden. De rechtbank verwees naar eerdere beslissingen en het dossier.

Hoewel het wettelijk criterium voor opheffing van voorlopige hechtenis nog niet is bereikt, achtte de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name zijn luchtwegproblemen in het kader van de coronapandemie, zwaarwegend. Ook de vertraging in de inhoudelijke behandeling door corona speelde een rol.

Daarom besloot de rechtbank de voorlopige hechtenis te schorsen tot aan de voortzetting van de inhoudelijke behandeling, zonder bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht. De schorsing betekent niet dat bij veroordeling geen hogere straf kan volgen dan de tijd in voorlopige hechtenis.

Uitkomst: De voorlopige hechtenis van verdachte wordt gehandhaafd maar geschorst tot aan de voortzetting van de inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

Beslissing van de rechtbank inzake [verdachte] , 13/997041-18 (zaak A) en

13/997045-19 (zaak B)

De raadsman heeft de rechtbank bij e-mail van 18 maart 2020 verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen op grond van het ontbreken van ernstige bezwaren voor vier van de vijf feiten waarvoor verdachte in voorlopige hechtenis zit, dan wel op grond van het bepaalde in artikel 67a, derde lid, Sv. Voor het geval de rechtbank niet tot opheffing van de voorlopige hechtenis zou beslissen, heeft de raadsman tevens een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis ingediend.
De officier van justitie heeft bij e-mail van 20 maart 2020 een schriftelijk standpunt ingediend, inhoudende dat hij zich verzet tegen inwilliging van de verzoeken van de raadsman.
Bij e-mail van 30 maart 2020 heeft de raadsman zijn reactie in repliek op het standpunt van de officier van justitie ingediend.
De officier van justitie heeft vervolgens bij e-mail van 31 maart 2020 zijn reactie in dupliek ingediend.
De verzoeken van de raadsman zijn ter terechtzitting van 1 april 2020 behandeld.
De rechtbank heeft meegedeeld dat de beslissing op de verzoeken van de raadsman schriftelijk (per e-mail) zal worden kenbaar gemaakt.
Na beraad in raadkamer is de rechtbank tot de volgende beslissing gekomen.
De voorlopige hechtenis van verdachte is gebaseerd op feit 1 op het bevel tot inbewaringstelling in zaak A (tevens feit 1 op de dagvaarding in zaak A) en de feiten 1 tot en met 4 op de dagvaarding in zaak B, te weten, respectievelijk en kort samengevat:
  • deelneming aan een criminele organisatie;
  • schuld-/opzetheling dan wel verduistering van zeven paspoorten en een rijbewijs;
  • valsheid in geschrift (gebruik maken van valse stukken ter verkrijging van een huurovereenkomst);
  • schuld-/opzetheling van een Mini Cooper;
  • (schuld)witwassen van 500 euro.
De raadsman heeft aangevoerd dat ten aanzien van de hiervoor genoemde feiten, met uitzondering van ‘valsheid in geschrift’, geen sprake is van ernstige bezwaren.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat ten aanzien van al de hiervoor genoemde feiten de ernstige bezwaren, die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, ook nu nog aanwezig zijn. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de eerder genomen beslissingen en hetgeen de rechtbank daarbij heeft overwogen.
De inhoudelijke behandeling van de feiten ter zitting geeft geen aanleiding voor een ander oordeel over de ernstige bezwaren. Verdachte heeft op de zitting van 12 maart 2020 verklaringen afgelegd. Deze verklaringen zijn niet alle op voorhand heel aannemelijk, te meer nu deze pas in een heel laat stadium zijn afgelegd, niet goed zijn te verifiëren en op onderdelen niet passen bij onderzoeksbevindingen in het dossier. De ernstige bezwaren zijn in de kern niet anders dan ten tijde van de vorige toetsing tijdens de pro forma-zitting op
11 december 2019. Of dit ook voldoende is voor het bewijs, zal moeten blijken bij de beraadslaging na afronding van de inhoudelijke behandeling en hangt onder meer af van de waarde die de rechtbank uiteindelijk aan de verschillende bewijsmiddelen zal toekennen.
De recidivegrond is onverkort aanwezig.
De rechtbank is, uitgaande van ernstige bezwaren voor de hiervoor genoemde feiten, van oordeel dat het bepaalde in artikel 67a, derde lid, Sv op dit moment nog geen aanleiding geeft de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.
De rechtbank ziet echter wel aanleiding het bevel tot voorlopige hechtenis te schorsen. Hiertoe is het volgende van belang.
De situatie zoals bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv is weliswaar op dit moment nog niet aan de orde, maar deze situatie komt wel in beeld. Deze omstandigheid weegt de rechtbank mee in de afweging van belangen, te meer nu door de maatregelen in verband met het coronavirus de afronding van de inhoudelijke behandeling nog onbekende vertraging op heeft gelopen. Verdachte heeft voorts verwezen naar zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder medische problemen. Met name zijn luchtwegproblemen wegen voor de rechtbank thans zwaarder door de huidige situatie rond het coronavirus. Alles afwegend maakt dit dat de rechtbank het persoonlijk belang van verdachte bij schorsing op dit moment zwaarder vindt wegen dan het algemeen belang dat de voorlopige hechtenis voortduurt. De rechtbank zal de voorlopige hechtenis daarom schorsen tot aan de voortzetting van de inhoudelijke behandeling. Deze beslissing zal afzonderlijk in een bevel worden vastgelegd.
Dat verdachte nu wordt geschorst, betekent niet dat bij een eventuele veroordeling aan verdachte geen hogere vrijheidsbenemende straf zal worden opgelegd dan de tijd die hij nu in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank ziet, gelet op de inhoud van het eerder over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies en gelet op de huidige (on)mogelijkheden voor de invulling van een reclasseringstoezicht, geen aanleiding om bijzondere voorwaarden met reclasseringstoezicht aan de schorsing te verbinden.
Deze beslissing is genomen op 1 april 2020 door:
mr. A.A. Spoel, voorzitter,
mrs. M.A.E. Somsen en I. Mannen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en ondertekend de griffier.
De voorzitter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Deze beslissing is ondertekend door de griffier.