De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen. De verdachte werd verdacht van oplichting en het opzettelijk uitgeven van valse munten en bankbiljetten.
Tijdens de zittingen op 11 en 28 februari 2020 werd de verdachte vertegenwoordigd door zijn raadsman, waarbij de rechtbank de procedure schorste vanwege spoedeisende ziekenhuisopname. De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de verdachte correct was en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit, waardoor bijzondere garanties voor strafuitvoering in Nederland vereist waren.
De rechtbank oordeelde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen, dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat de door België gegeven garantie voldoende is om de strafuitvoering in Nederland te waarborgen. Ondanks dat de feiten gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd, werd op verzoek van de officier van justitie afgezien van de weigeringsgrond. De overlevering werd daarom toegestaan en de uitspraak is onherroepelijk.