De rechtbank Amsterdam behandelde op 28 februari 2020 de vordering tot overlevering van een persoon aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door een raadsman en een Franse tolk.
De identiteit van de opgeëiste persoon werd vastgesteld en bevestigd. Het EAB betrof ernstige strafbare feiten zoals deelneming aan een criminele organisatie, witwassen, georganiseerde diefstal en vervalsing van documenten, die volgens Belgisch recht bestraft worden met een gevangenisstraf van minimaal drie jaar. De rechtbank constateerde een kennelijke verschrijving in de pleegperiode van een feit, welke werd gecorrigeerd op basis van de Form A.
De rechtbank stelde vast dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen van de Overleveringswet (OLW) en dat geen weigeringsgronden aanwezig waren. De dubbele strafbaarheidstoets werd achterwege gelaten, omdat de feiten voorkomen op de bijlage 1 van de OLW. Op grond hiervan werd de overlevering toegestaan en uitgesproken dat tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat.