ECLI:NL:RBAMS:2020:1815

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 maart 2020
Publicatiedatum
19 maart 2020
Zaaknummer
8001601 CV EXPL 19-18471
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230j BWArt. 6:230m lid 1 BWArt. 111 lid 2 onder d RvArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering op grond van algemene voorwaarden verplicht lidmaatschap pechhulp

Eisende partij vorderde betaling van €35,00 vermeerderd met rente en kosten van gedaagde partij, gebaseerd op een overeenkomst met algemene voorwaarden behorende bij een verplicht gesteld lidmaatschap voor pechhulp. Gedaagde partij, een consument, was niet verschenen en de vordering werd ambtshalve getoetst.

De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding niet voldeed aan de vereisten van artikel 111 lid 2 onder Pro d en artikel 21 Rv Pro, omdat niet was gesteld of gebleken dat aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen was voldaan. Eisende partij had geen schriftelijk bewijs overlegd van uitdrukkelijke instemming van gedaagde met het verplichte lidmaatschap, noch de overeenkomst zelf.

Hoewel eisende partij stelde dat het lidmaatschap een voorwaarde was voor het verlenen van pechhulp langs de weg, oordeelde de rechtbank dat dit een aanvullende dienst betreft waarvoor uitdrukkelijke instemming vereist is volgens artikel 6:230j BW. De enkele verwijzing naar informatie op de factuur en algemene voorwaarden volstond niet.

Daarom werd de vordering afgewezen en werd eisende partij veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden begroot. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter C.L.J.M. de Waal op 2 maart 2020.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen omdat geen uitdrukkelijke instemming met het verplichte lidmaatschap is aangetoond.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 8001601 CV EXPL 19-18471
vonnis van: 2 maart 2020
fno.: 991

vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

ANWB B.V.

gevestigd te 's-Gravenhage
eisende partij
gemachtigde: A. Niekus
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen

Verder verloop van de procedure

Bij tussenvonnis van 28 oktober 2019 is eisende partij in de gelegenheid gesteld om het bijgevoegde informatieformulier in te vullen en dit ingevulde formulier en de daarin aangegeven stukken in het geding te brengen, en een kopie hiervan aan gedaagde partij te sturen met de mededeling dat deze hierop kan reageren.
Eisende partij heeft op de rolzitting van 23 december 2019 een akte ingediend. Gedaagde partij heeft hierop niet gereageerd.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

Eisende partij vordert betaling van € 35,00, te vermeerderen met rente en kosten. Op grond van artikel 111 lid 2 onder Pro d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv Pro dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.
Daaraan voldoet de dagvaarding niet.
Eisende partij stelt bij dagvaarding - kort weergegeven - dat gedaagde partij op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst gehouden is om de aan gedaagde partij toegezonden factuur aan eisende partij te voldoen. Volgens de van toepassing zijnde algemene voorwaarden diende de factuur binnen de op de factuur vermelde betaaldatum te worden voldaan. Als productie legt eisende partij de factuur en een ‘veertiendagenbrief’ over.
Gedaagde partij is een consument. Bij dagvaarding is niet gesteld en ook is niet gebleken dat, en zo ja op welke wijze, aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen ter zake van de aan de vordering ten grondslag liggende overeenkomst is voldaan. Deze informatieverplichtingen zijn te beschouwen als verbintenissen die uit de wet voortvloeien. De overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden zijn ook niet overgelegd.
Eisende partij is vervolgens in de gelegenheid gesteld haar vordering alsnog te onderbouwen met alle voor de beslissing van belang zijnde feiten door invulling van de vragen van het informatieformulier, waar nodig de vragen toe te lichten en de daarin aangegeven stukken, waaronder de overeenkomst, in het geding te brengen.
Eisende partij heeft bij akte de vragen van het formulier beantwoord. Eisende partij stelt dat aan de openbare weg een lidmaatschap met de wegenwachtservice is gesloten, naar aanleiding van het verzoek van gedaagde partij om pechhulp te verlenen. Gedaagde partij had nog geen lidmaatschap bij eisende partij, terwijl het sluiten daarvan een voorwaarde was voor het verlenen van pechhulp. Eisende partij stelt dat is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen van artikel 6:230m lid 1 BW, nu de gegevens als bedoeld in onderdelen a t/m e op de factuur staan vermeld, onderdelen f, h t/m j en l t/m s niet van toepassing zijn en onderdelen g en t staan vermeld in de algemene voorwaarden. Aan onderdeel k is niet voldaan, althans hiervan is geen schriftelijk bewijs.
De gevorderde eigen bijdrage voor het tanken van verkeerde brandstof is gedaagde partij verschuldigd op grond van artikel 3 van Pro de algemene voorwaarden, aldus eisende partij.
Eisende partij stelt dat gedaagde partij heeft verzocht om pechhulp langs de weg en eisende die pechhulp heeft verleend. Dat is de kern van de prestatie. Eisende partij stelt ook dat de voorwaarde om pechhulp te verlenen was dat gedaagde partij direct ter plaatse, langs de kant van de weg, een lidmaatschap bij eisende partij diende af te sluiten en aldus een overeenkomst aan diende te gaan. Deze verplicht gestelde overeenkomst met eisende partij is te kwalificeren als een aanvullende dienst. In dat geval is op grond van artikel 6:230j BW uitdrukkelijke instemming van gedaagde partij vereist om gebonden te zijn aan deze overeenkomst, waar voor gedaagde partij een betalingsverplichting uit voortvloeit. Niet gesteld of gebleken is dat gedaagde partij uitdrukkelijk heeft ingestemd met het verplicht gestelde aanvullende lidmaatschap, bijvoorbeeld door een schriftelijke overeenkomst te ondertekenen. Nu de onderhavige vordering uitsluitend is gegrond op (de algemene voorwaarden behorend bij) het lidmaatschap met eisende partij en niet is gebleken dat gedaagde partij uitdrukkelijk heeft ingestemd met deze aanvullende dienst bij de verlening van pechhulp langs de weg, komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking.
Daar komt bij dat de overeenkomst op afstand dan wel buiten verkoopruimte is gesloten. Eisende partij dient in dat geval te stellen, en met stukken te onderbouwen, dat bij (dus niet alleen na) het aangaan van het lidmaatschap aan de wettelijke informatieverplichtingen van artikel 6:230m lid 1 BW is voldaan. Dat heeft eisende partij niet gedaan. De enkele verwijzing naar de in de factuur en de algemene voorwaarden opgenomen informatie is daarvoor onvoldoende.
De vordering wordt op grond van het voorgaande afgewezen.

Beslissing

De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij tot op heden worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.