Op 20 februari 2019 heeft verdachte in Amsterdam een feitelijke aanranding van de eerbaarheid gepleegd door onverhoeds zijn hand op de bil van aangeefster te leggen en over haar billen te wrijven terwijl zij boodschappen deed in een supermarkt. Verdachte heeft deze daad bekend.
De rechtbank heeft het bewijs beoordeeld op basis van de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte van aangeefster en camerabeelden. De verdediging voerde aan dat verdachte vanwege schizofrenie niet toerekeningsvatbaar zou zijn, maar de rechtbank vond geen aanwijzingen voor ontoerekeningsvatbaarheid en oordeelde dat verdachte strafbaar is.
De officier van justitie eiste een voorwaardelijke taakstraf van 60 uur, maar de rechtbank legde een mildere straf op: een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur met een proeftijd van één jaar, mede vanwege de kwetsbaarheid van verdachte en het ontbreken van eerdere justitiële contacten. De rechtbank wees toepassing van artikel 9a Sr af.
De straf wordt niet ten uitvoer gelegd tenzij verdachte binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam op 26 februari 2020.