ECLI:NL:RBAMS:2020:1577
Rechtbank Amsterdam
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs opzettelijk aanwezig hebben cocaïne en witwassen
De rechtbank Amsterdam behandelde op 5 maart 2020 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en witwassen van bijna €20.000. De tenlastelegging betrof het aantreffen van verdovende middelen en contant geld in de woning van verdachte op 6 december 2016.
Het Openbaar Ministerie stelde dat verdachte als hoofdbewoonster verantwoordelijk was en dat tapgesprekken haar betrokkenheid aantoonden. De verdediging voerde aan dat verdachte niet de wetenschap had van de drugs en dat de tapgesprekken niet relevant waren voor de datum van de aantijging. Ook werd betwist dat verdachte de enige bewoner was en werd een verifieerbare verklaring voor het geld gegeven.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om vast te stellen dat verdachte wist van de aanwezigheid van de cocaïne, mede door discrepanties in het dossier en het feit dat verdachte samen met haar partner woonde. Ook was onvoldoende onderzocht of het geld afkomstig was van een misdrijf, waardoor vrijspraak volgde voor beide feiten.
De rechtbank gelastte teruggaaf van een deel van het geld aan verdachte en bewaarde een bedrag van €14.800,- ten behoeve van de rechthebbende. De uitspraak werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op de openbare terechtzitting.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen aanwezig hebben van cocaïne en witwassen wegens onvoldoende bewijs.