De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 februari 2020 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De verdachte werd verdacht van het plegen van strafbare feiten, waaronder bedreiging met zware mishandeling, waarvoor nog een gevangenisstraf van bijna twee jaar moest worden uitgezeten.
Tijdens de zitting betoogde de verdediging dat aanvullende vragen gesteld moesten worden aan de Poolse justitiële autoriteiten omdat de informatie over de bedreiging onduidelijk was. De rechtbank oordeelde dat de brief van de Poolse autoriteiten geen aanleiding gaf tot twijfel over de procedure, maar vond de omschrijving van het tweede feit onvoldoende helder om te bepalen of dubbele strafbaarheid in Nederland aanwezig is.
Daarom besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen en de procedure te schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de precieze inhoud van de bedreiging. De verdachte en een Poolse tolk worden opnieuw opgeroepen voor een zitting op 3 maart 2020. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.