ECLI:NL:RBAMS:2020:1322

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2020
Publicatiedatum
2 maart 2020
Zaaknummer
13/751312-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak heropening onderzoek Europees aanhoudingsbevel wegens onduidelijkheid bedreiging

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 februari 2020 de vordering tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De verdachte werd verdacht van het plegen van strafbare feiten, waaronder bedreiging met zware mishandeling, waarvoor nog een gevangenisstraf van bijna twee jaar moest worden uitgezeten.

Tijdens de zitting betoogde de verdediging dat aanvullende vragen gesteld moesten worden aan de Poolse justitiële autoriteiten omdat de informatie over de bedreiging onduidelijk was. De rechtbank oordeelde dat de brief van de Poolse autoriteiten geen aanleiding gaf tot twijfel over de procedure, maar vond de omschrijving van het tweede feit onvoldoende helder om te bepalen of dubbele strafbaarheid in Nederland aanwezig is.

Daarom besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen en de procedure te schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de precieze inhoud van de bedreiging. De verdachte en een Poolse tolk worden opnieuw opgeroepen voor een zitting op 3 maart 2020. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het onderzoek wordt heropend en geschorst om nadere vragen te stellen over de bedreiging, met een nieuwe zitting gepland op 3 maart 2020.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751312-19
RK nummer: 19/7284
Datum uitspraak: 25 februari 2020
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 december 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 december 2018 door de
Circuit Court in Wroclaw(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1996,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans gedetineerd te:
[detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 18 februari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter terechtzitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van
the binding sentence of the District Court in Nysavan 17 juni 2014 (II K 525/14).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 11 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat de zaak dient te worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse justitiële autoriteit. De brief van 23 januari 2019, afkomstig van de Poolse justitiële autoriteit, is niet in lijn is met de informatie zoals voortvloeit uit het EAB, nu deze brief lijkt te insinueren dat er meerdere behandelingen ter terechtzitting zijn geweest die tot het vonnis hebben geleid.
Oordeel rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de informatie in het EAB en de brief van de Poolse justitiële autoriteit d.d. 23 januari 2019. Hieruit volgt dat de opgeëiste persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Het verweer wordt verworpen.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het EAB afdoende genoegzaam. Het tweede feit dient te worden gekwalificeerd als bedreiging met zware mishandeling.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat er uit de feitsomschrijving van het tweede feit niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat er sprake is van bedreiging met zware mishandeling.
Oordeel rechtbank
Volgens onderdeel e) van het EAB heeft het EAB betrekking op twee feiten. Het tweede feit is als volgt omschreven:
“On 3rd February 2014 on the premises of the Continuing Professional Development Centre on ul. Orkana 6 in the town of Nysa, he threatened to injure the teacher [naam persoon] and such threats caused in the threatened person a justified fear that they would be carried out, i.e. the offence under article 190 paragraph 1 of the Criminal Code.”
Een bedreiging kan naar Nederlands recht onder de delictsomschrijving van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht worden gebracht als ook blijkt dat deze bedreiging heeft bestaan uit bepaalde, door de wet geformuleerde ernstige misdrijven.
De rechtbank acht het met het oog hierop nodig dat meer helderheid wordt verkregen over het feit waarvoor de overlevering is gevraagd. Om die reden zal de rechtbank het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen omtrent feit 2 de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen wat de precieze inhoud (woorden en/of handelingen) van voornoemde bedreiging is geweest.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

5.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor bepaalde tijd tot
3 maart 2020 te 14:00 uur, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4.1 vermelde vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen voornoemde datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw;
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en V.V. Essenburg-Koster, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 25 februari 2020.
De voorzitter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.