Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2020:1316

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 februari 2020
Publicatiedatum
2 maart 2020
Zaaknummer
13/751130-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel met partiële weigering wegens artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 februari 2020 de vordering tot overlevering van een persoon uit Hongarije op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB betrof twee vonnissen: een vonnis waarbij de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig was tijdens de inhoudelijke behandeling en een vonnis waarbij hij wel aanwezig was en een voorwaardelijke straf kreeg opgelegd.

De rechtbank stelde vast dat de overlevering voor het eerste vonnis moest worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro omdat de opgeëiste persoon niet persoonlijk was verschenen bij de inhoudelijke behandeling, noch een gemachtigde advocaat had, en er geen verzetsgarantie was verstrekt door de uitvaardigende autoriteit. Voor het tweede vonnis, een voorwaardelijke straf met een reststraf van anderhalve maand, werd de overlevering toegestaan.

De verdediging voerde aan dat de detentieomstandigheden in Hongarije onmenselijk zijn en dat de opgeëiste persoon ernstig ziek is, wat een risico op vernederende behandeling oplevert. De rechtbank verwierp dit verweer omdat er geen actuele, objectieve en betrouwbare gegevens waren die dit bevestigden. De overleveringsdetentie werd op 17 februari 2020 opgeheven omdat de opgeëiste persoon al langer in detentie zat dan de resterende straf.

De rechtbank besloot de overlevering toe te staan voor het vonnis waarbij de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was en de straf voorwaardelijk was opgelegd, en de overlevering te weigeren voor het vonnis waarbij niet aan de eisen van artikel 12 OLW Pro was voldaan.

Uitkomst: Overlevering wordt toegestaan voor het tweede vonnis en geweigerd voor het eerste vonnis wegens niet-naleving van artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751130-19
RK nummer: 19/7160
Datum uitspraak: 28 februari 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 december 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 januari 2019 door
the Miskolc Regional Court, criminal enforcement section(Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1980,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 februari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.D.A. Stam, advocaat te
‘s-Gravenhage en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een:
sentence of the District Court of Kazincbarcika , delivered on 8 February 2017, final on 29 May 2017, reference 12.B.76/2016/47;
sentence of the no. 1 the Court which terminated the parole applied during the execution of the 6 months imprisonment imposed by the final sentence of the City Court of Kazincbarcika , delivered on 11 October 2010 and final on 14 October 2010, reference [nummer] .
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot vonnis 2 heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van
6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 1 maand en 15 dagen.
De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Ten aanzien van vonnis 1 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit meegedeeld dat de opgeëiste persoon was verschenen op de eerste zitting, doch op die zitting is de zaak niet inhoudelijk behandeld. Vervolgens heeft de opgeëiste persoon schriftelijk een verzoek ingediend bij de rechtbank om niet bij de vervolgzittingen aanwezig te hoeven zijn, welk verzoek is gehonoreerd. Hij is vervolgens tijdens de overige zittingsdagen vertegenwoordigd door een hem toegewezen advocaat. Oproepingen naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres konden vervolgens niet persoonlijk worden bezorgd. In deze zaak werd de opgeëiste persoon veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden. Dit vonnis kon niet aan de opgeëiste persoon worden betekend.
In aanvullende informatie d.d. 13 februari 2020, ter zitting van 14 februari 2020 vertaald door de aanwezige tolk Hongaars, is nog aangevuld dat de toegewezen advocaat niet door de opgeëiste persoon is gemachtigd.
De rechtbank stelt dan ook vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van vonnis 1, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Hij was immers slechts aanwezig bij een zitting waarvan vaststaat dat de strafzaak destijds niet inhoudelijk is behandeld. Daarnaast moet worden vastgesteld dat er een advocaat aanwezig is geweest op nadere zittingen, maar ook dat hij niet was gemachtigd door de opgeëiste persoon. Tot slot is niet komen vaststaan dat de opgeëiste persoon de dagvaarding in persoon heeft ontvangen. De conclusie is dan ook dat vonnis 1 is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering voor vonnis 1 alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Een zodanige ‘verzetsgarantie’ is niet door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekt, zodat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro van toepassing is en de overlevering ten aanzien van vonnis 1 dient te worden geweigerd.
De officier van justitie heeft in dit kader betoogd dat de opgeëiste persoon op eigen verzoek afwezig is geweest bij de zittingen. Bovendien heeft hij, op het moment dat hij de toegewezen advocaat heeft gesproken, achterwege gelaten om aan te geven dat hij niet wilde worden vertegenwoordigd door deze advocaat. Deze omstandigheden maken dat de rechtbank zou moeten afzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank gaat echter voorbij aan dit verweer. Waar de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4 bis Pro van Kaderbesluit 2002/584/JBZ de uitvoerende justitiële autoriteit de ruimte biedt om rekening te houden met dergelijke omstandigheden, heeft de Nederlandse wetgever bewust gekozen voor een dwingende implementatie van die bepaling in artikel 12 van Pro de OLW. Gelet op de dwingende formulering van dit wetsartikel, biedt artikel 12 OLW Pro de overleveringsrechter, indien hij tot de conclusie komt dat zich geen van de
– kaderbesluitconform uitgelegde – gevallen van de onderdelen a) tot en met d) voordoet, geen ruimte om af te zien van weigering van de overlevering
Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende autoriteit volgt verder dat vonnis 2 is uitgesproken op 11 oktober 2010. De opgeëiste persoon was daar in persoon aanwezig en is veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is op dit vonnis dus niet van toepassing.
Vanwege een nieuw strafbaar feit is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf op 16 april 2012 bevolen. Nadat de opgeëiste persoon vier en een halve maand van die straf had uitgezeten is hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
Voor zover de raadsman heeft betoogd dat ook de overlevering voor deze tenuitvoerlegging moet worden geweigerd, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Ardic (ECLI:EU:C:2017:1026) valt een omzetting van een voorwaardelijke vrijheidsstraf niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro, zodat de overlevering ter executie van de straf van vonnis 2 kan worden toegestaan. Van die straf resteert volgens het EAB echter nog één maand en vijftien dagen, zodat de opgeëiste persoon op het moment van de zitting, op 14 februari 2020, reeds langer in overleveringsdetentie heeft gezeten dan de nog uit te zitten straf in Hongarije. Dit is voor de rechtbank aanleiding geweest om de overleveringsdetentie op 17 februari 2020 op te heffen.

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit in vonnis 2 waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit dat strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 14, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.Detentieomstandigheden

Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft ter zitting gesteld dat sprake is van een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentiecentra. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in 2015 is geconstateerd dat de detentieomstandigheden in Hongarije ernstig onder de maat zijn en de procedure ter compensatie daarvan in 2020 wordt afgebouwd, zonder dat van adequate verbetering is gebleken. De raadsman heeft in dit kader verwezen naar de website: https://www.prisonstudies.org/country/hungary. Voorts heeft de raadsman gerefereerd aan een recent bericht van persbureau Reuters van 31 januari waaruit blijkt dat in Hongaarse gevangenissen nog steeds sprake is van overbevolking.
Hier bovenop heeft de raadsman gesteld dat een en ander extra nijpend is voor de opgeëiste persoon, nu deze ernstig ziek is. Medisch ingrijpen op korte termijn is noodzakelijk en het is niet vast te stellen of en wanneer dit in Hongarije zou kunnen plaatsvinden.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft erop gewezen dat geen actuele, objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens voorhanden zijn waaruit een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentiecentra valt af te leiden. Zij heeft opgemerkt dat op de website waarnaar de raadsman verwijst gesproken wordt over afname van de populatie. Voorts is volgens de officier van justitie niet gebleken dat de opgeëiste persoon in Hongarije niet behandeld zou kunnen worden. De Hongaren kan worden verzocht rekening te houden met de medische toestand van de opgeëiste persoon.
Het oordeel van de rechtbank
Bij uitspraak van 27 augustus 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat voor Hongaarse detentiecentra geen reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling meer geldt [1] . Nadien is geen sprake meer geweest van actuele, objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit anders zou blijken. De door de raadsman aangevoerde stukken worden door de rechtbank niet als zodanig aangemerkt.
Een reëel gevaar met betrekking tot de medische gesteldheid van de opgeëiste persoon kan worden ondervangen door de aan de officier van justitie ingevolge artikel 35 OLW Pro toekomende bevoegdheid.
Het verweer wordt verworpen.

6.Slotsom

Nu ten aanzien van vonnis 2 waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor dit vonnis te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Miskolc Regional Court, criminal enforcement section(Hongarije) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, die is opgelegd bij vonnis 2.
WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]voor zover het EAB betrekking heeft op de vrijheidsstraf die is opgelegd bij vonnis 1.
Aldus gedaan door
mr. I. Verstraeten-Jochemsen, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en J.A.A.G. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 28 februari 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.