De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 januari 2020 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Aachen. Het EAB betreft een strafrechtelijk onderzoek naar betrokkenheid bij georganiseerde autodiefstal als lid van een bende.
De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende genoegzaam was omdat de mate van betrokkenheid niet bij alle feiten was vermeld en dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moest worden met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, Overleveringswet (OLW), waardoor een terugkeergarantie zou moeten worden gegeven. De rechtbank oordeelde dat het EAB wel genoegzaam is en dat de opgeëiste persoon niet voldeed aan de materiële voorwaarden voor gelijkstelling, mede vanwege onderbroken inschrijving en detentieperiodes.
De rechtbank stelde vast dat de feiten onder bijlage 1 van de OLW vallen en dat de dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden onderzocht. Er waren geen weigeringsgronden voor overlevering. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan en wees op het ontbreken van rechtsmiddelen tegen deze uitspraak.