ECLI:NL:RBAMS:2020:1032

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2020
Publicatiedatum
19 februari 2020
Zaaknummer
RK 19/4326
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94 SvArt. 36b SrArt. 552f Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking op klaagschrift over beslag Slowaaks verblijfsdocument wegens onderzoek

De rechtbank Amsterdam behandelde een klaagschrift ex artikel 552a Sv van een klager die de teruggave van zijn in beslag genomen Slowaakse verblijfsdocument vorderde. Het document was op 26 juli 2019 in beslag genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.

De rechtbank hield op 8 november 2019 en 29 januari 2020 raadkamerzittingen, waarbij de raadsman van klager en de officier van justitie werden gehoord. Klager was geldig opgeroepen maar verscheen niet. De raadsman voerde aan dat het document geldig en echt was en dat teruggave gerechtvaardigd was, terwijl het OM stelde dat het document mogelijk onder valse voorwendselen was verkregen en het onderzoek nog niet was afgerond.

De rechtbank oordeelde dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vereist, omdat het document nodig is om de waarheid aan het licht te brengen en het onderzoek nog loopt. Daarom werd het klaagschrift ongegrond verklaard en het beslag gehandhaafd.

Tegen deze beschikking staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard en het beslag op het verblijfsdocument wordt gehandhaafd.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
RK: 19/4326
Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. D.R. Kops, Straatweg 43, 3621 BH te Breukelen,
klager, tevens beslagene.

1.Procesgang

Het klaagschrift is op 19 juli 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 8 november 2019 de raadsvrouw van klager, mr. D. Schaddelee, en de officier van justitie, mr. M.M. van den Berg, in openbare raadkamer gehoord. De rechter heeft destijds beslist dat op het klaagschrift zal worden beschikt en dat de beslissing in openbare raadkamer zal worden uitgesproken op 22 november 2019.
Op 22 november 2019 heeft de rechtbank een tussenbeschikking gewezen, waarin is opgenomen dat vanwege het ontbreken van informatie omtrent de aanleiding en de stand van zaken van het huidige onderzoek naar het Slowaakse verblijfsdocument van klager, de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht acht om het klaagschrift te kunnen beoordelen en te weten waarom volgens het Openbaar Ministerie het belang van strafvordering de voortduring van het beslag vordert. De behandeling in raadkamer is geschorst tot 29 januari 2020, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie te geven omtrent de stand van zaken van het onderzoek aan het verblijfsdocument alsmede een nadere onderbouwing waarom het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, mede in het licht van het – kennelijk – eerdere onderzoek op 22 april 2019.
De rechtbank heeft op 29 januari 2020 de behandeling in raadkamer heropent en de raadsvrouw van klager, mr. D. Schaddelee, en de officier van justitie, mr. A. Lobregt, in openbare raadkamer gehoord.
Klager is, hoewel geldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2.Inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van het in beslag genomen Slowaaks verblijfsdocument (goednummer: 5784203).
De raadsvrouw van klager heeft in raadkamer naar aanleiding van het aanvullend proces-verbaal, het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd. Klager zit op dit moment in overleveringsdetentie vanwege een signalering in Italië. Het aanvullend proces-verbaal bevat geen nieuwe informatie. Het vermoeden bestaat dat het verblijfsdocument van klager onder valse voorwendselen is afgegeven. Klager ontkent dit. Het verblijfsdocument is een echt, geldig door de Slowaakse autoriteiten uitgegeven verblijfsdocument, dat zijn geldigheid niet heeft verloren. In het aanvullend proces-verbaal is opgenomen dat de Slowaakse autoriteiten hebben aangegeven het verblijfsdocument te willen ontvangen ten behoeve van het onderzoek in Slowakije. Er is eerder een kopie van het document naar Slowakije verstuurd ten behoeve van het onderzoek en het is onduidelijk waarom nu ineens het verblijfsdocument nodig is daarvoor. Als uit het onderzoek van de Slowaakse autoriteiten blijkt dat er sprake is van een schijnhuwelijk tussen klager en zijn vrouw, dan kan het document zijn rechtsgeldigheid verliezen. Op dit moment is echter sprake van een echt, geldig door de Slowaakse autoriteiten uitgegeven verblijfsdocument. Het verblijfsdocument moet aan klager worden geretourneerd.

3.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het verblijfsdocument aan klager. Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat de Slowaakse autoriteiten het verblijfsdocument willen ontvangen ten behoeve van het onderzoek naar het document. Er zijn vermoedens dat het document is verkregen onder valse voorwendselen. Bij deze stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat het document rechtsgeldig is afgegeven en kan dit evenmin terug worden gegeven. Als uit het onderzoek van de Slowaakse autoriteiten blijkt dat het verblijfsdocument onder de verkeerde informatieverstrekking is afgegeven, kan het verblijfsdocument ongeldig verklaard worden. De Slowaakse autoriteiten moeten dan de mogelijkheid hebben om het document te vernietigen. Daarnaast zit klager op dit moment gedetineerd en heeft hij geen enkel belang bij teruggave van het document.

4.De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Op 26 juli 2019 is op de voet van artikel 94 Sv Pro het verblijfsdocument in beslag genomen.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot het voorwerp de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.
In het onderhavig geval is het Openbaar Ministerie van mening dat het verblijfsdocument dient om de waarheid aan de dag te brengen.
De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het onderzoek nog niet is afgerond
Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat de vermoedens dat het verblijfsdocument onder valse voorwendselen is verkregen, voldoende zijn benoemd en nu het onderzoek nog loopt, het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag. Immers, het verblijfsdocument is in beslag genomen met het doel de waarheid aan het licht te brengen en is daartoe ook geschikt.
Het beklag dient daarom ongegrond te worden verklaard.

5.De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.
De rechtbank verklaart het beklag
ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. M.E. Leijten, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2020.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,
in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,
binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.