De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 december 2019 een vordering tot overlevering van een persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren. De opgeëiste persoon werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen, met een rol in de verzorging van planten in twee hennepkwekerijen.
De verdediging stelde dat de feitomschrijving in het EAB onvoldoende duidelijk was over de rol van de opgeëiste persoon en de periode van de vermeende feiten. De rechtbank oordeelde echter dat de aanvullende informatie van de Belgische autoriteiten deze onduidelijkheden voldoende verduidelijkte, zodat de opgeëiste persoon voldoende wist waarvoor zijn overlevering werd verzocht. De strafbaarheid van de feiten werd bevestigd, aangezien deze ook onder Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank overwoog verder dat geen weigeringsgronden van toepassing waren die overlevering in de weg stonden. Hoewel de feiten deels op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd, werd op verzoek van het Openbaar Ministerie afgezien van deze weigeringsgrond vanwege het belang van een goede rechtsbedeling en het feit dat het onderzoek reeds in België was gestart.
Ten slotte werd een garantie aanvaard dat de opgeëiste persoon, indien veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in België, deze straf in Nederland zal ondergaan. Op basis van deze overwegingen werd de overlevering toegestaan en uitgesproken dat tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat.