Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
core businessvan TMG, het brengen van nieuws. In die zin werken alle vorenbedoelde ondernemingen aan hetzelfde product.
Rechtbank Amsterdam
Een mediabedrijf, TMG, voerde een reorganisatie door waarbij de medezeggenschapsstructuur werd vereenvoudigd door vier ondernemingsraden en een centrale ondernemingsraad te vervangen door één gemeenschappelijke ondernemingsraad (GMOR). De ondernemingsraad (OR) van een bedrijfsonderdeel, de Drukkerij, maakte bezwaar en vorderde een verbod tegen deze wijziging, stellende dat de instelling van een GMOR niet bevorderlijk zou zijn voor de goede toepassing van de Wet op de ondernemingsraden (WOR).
De rechtbank overwoog dat bij de beoordeling van de vraag of een GMOR bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR, alle omstandigheden van het geval van belang zijn, met name de mate van samenhang tussen de ondernemingen. De rechtbank benadrukte de terughoudendheid die zij moet betrachten en dat het op de weg ligt van de ondernemer om aannemelijk te maken dat de instelling van een GMOR bevorderlijk is.
De rechtbank constateerde dat tussen de verschillende onderdelen van TMG een hoge mate van samenhang bestaat, met een gemeenschappelijk financieel, strategisch en sociaal beleid en centrale organisatie van ondersteunende diensten. Ook de Drukkerij is organisatorisch geïntegreerd en maakt deel uit van deze structuur. Daarnaast is een onderdeelcommissie (OC) ingesteld voor de Drukkerij om haar belangen te behartigen.
De rechtbank oordeelde dat TMG voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de instelling van een GMOR bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR en dat de vorderingen van de OR daarom worden afgewezen. Tevens werd geoordeeld dat het voorlopige reglement niet in strijd is met de WOR. De voorzieningenrechter wees de gevraagde voorzieningen af.
Uitkomst: De vordering van de ondernemingsraad tot het verbod op instelling van een gemeenschappelijke ondernemingsraad wordt afgewezen.