Eiseres, een zelfstandige die in 2005 en 2006 bevallen is, diende een aanvraag in voor compensatie op grond van de Tijdelijke regeling compensatie zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten bevallen tussen 7 mei 2005 en 4 juni 2008. De aanvraag werd na de uiterste indieningstermijn van 1 oktober 2018 ingediend en door het UWV afgewezen. Het bezwaar van eiseres werd ongegrond verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de termijn voor het indienen van de aanvraag dwingendrechtelijk is en niet kan worden overschreden. Het UWV hoefde eiseres niet te horen over de reden van de te late indiening, omdat het hier gaat om een fatale termijn voor de aanvraag en niet om bezwaar of beroep. De rechtbank stelde vast dat het UWV de aanvraag terecht buiten behandeling had gesteld, maar dat het besluit onduidelijk was doordat het niet expliciet afwijzend was geformuleerd.
Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en de proceskosten. Eiseres krijgt inhoudelijk geen gelijk, maar wel een vergoeding vanwege de onvoldoende motivering door het UWV.