ECLI:NL:RBAMS:2019:9130

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2019
Publicatiedatum
9 december 2019
Zaaknummer
13/994029-19 (Promis)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 Sr (oud)Art. 51 SrArt. 1a Wet op de economische delictenArt. 2 Wet op de economische delictenArt. 6 Wet op de economische delicten
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geldboete voor overtreding pluimveerechten door houden te veel kippen

De rechtbank Amsterdam heeft op 10 december 2019 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte wegens het houden van meer leghennen dan toegestaan op haar bedrijf in Woudenberg gedurende het kalenderjaar 2016. Verdachte hield gemiddeld 22.919 pluimvee-eenheden terwijl het toegestane maximum 3.400 pluimvee-eenheden bedroeg.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte opzettelijk deze overtreding heeft begaan. Verdachte heeft dit ook duidelijk en ondubbelzinnig bekend. De bewijsvoering bestond uit verklaringen van de vertegenwoordiger van verdachte en diverse bedrijfsdocumenten, waaronder veesaldokaarten en een bedrijfsoverzicht.

De officier van justitie eiste een geldboete van €25.000 waarvan de helft voorwaardelijk, terwijl de verdediging een lagere boete van €10.000 met een kortere proeftijd bepleitte vanwege de financiële situatie en het incidentele karakter van de overtreding. De rechtbank legde uiteindelijk een onvoorwaardelijke geldboete van €10.000 op, waarbij zij rekening hield met de omvang van de overschrijding, het ontbreken van eerdere relevante veroordelingen en de bedrijfsrisico's van verdachte.

De overtreding werd gekwalificeerd als een opzettelijke schending van artikel 20 van Pro de Meststoffenwet, wat leidt tot concurrentievervalsing en milieuschade. De rechtbank wees een gedeeltelijke voorwaardelijke straf af en benadrukte dat financiële problemen geen rechtvaardiging vormen voor het overtreden van milieuregels.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €10.000 wegens het houden van meer kippen dan toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/994029-19 (Promis)
Datum uitspraak: 10 december 2019
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
gevestigd op het adres [vestigingsadres] , [vestigingsplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2019.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Huisman. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat de vertegenwoordiger van verdachte, [naam vertegenwoordiger] , en de raadsman van verdachte, mr. G.J. Boven, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
zij in de periode van 01 januari 2016 tot en met 31 december 2016 te Woudenberg, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op haar bedrijf met relatie-nummer [nummer] al dan niet opzettelijk, gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2016 een groter aantal leghennen, te weten 22.919 pluimvee-eenheden heeft gehouden, dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 3.400 pluimvee-eenheden.

3.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 te Woudenberg, op haar bedrijf met relatie-nummer [nummer] opzettelijk, gemiddeld gedurende het kalenderjaar 2016 een groter aantal leghennen, te weten uitgedrukt in pluimvee-eenheden 22.919, heeft gehouden, dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht, te weten 3.400 pluimvee-eenheden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4.Bewijs

De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezen feit heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de hierna genoemde bewijsmiddelen. Omdat verdachte het bewezen feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

1.De verklaring ter terechtzitting van de vertegenwoordiger van verdachte.

De geschriften:

2.
Een bedrijfsoverzicht totaal met betrekking tot verdachte (ongenummerd, bijlage 2).
3.
Een veesaldokaart 2016 (ongenummerd, bijlage 3).
4.
Een veesaldokaart 2016 (ongenummerd, bijlage 4).

5.Motivering van de straf

5.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 25.000,-, waarvan € 12.500,- voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de eis van de officier van justitie te matigen en heeft als suggestie meegegeven een geldboete van € 10.000,-, waarvan de helft voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar.
De raadsman heeft daarbij gewezen op de financiële situatie en de overige bedrijfsomstandigheden van verdachte in het jaar van de overtreding. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is geweest van een incident en dat verdachte in de jaren ervoor en erna haar pluimveerechten keurig op orde had.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal aan verdachte een geldboete opleggen van € 10.000,-.
Verdachte heeft gedurende één jaar veel meer pluimvee gehouden dan waarvoor zij de rechten bezat. Hiermee heeft verdachte afbreuk gedaan aan het stelsel van de Meststoffenwet, die tot doel heeft het terugdringen van het mestoverschot en de bescherming van de bodem en het milieu. Het handelen van verdachte heeft ook geleid tot concurrentievervalsing, omdat zij kosten heeft bespaard waar andere bedrijven wel kosten hebben gemaakt om aan de vereisten van de Meststoffenwet te voldoen.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gekeken naar het strafblad van verdachte van 9 september 2019. Hieruit volgt dat bij verdachte geen sprake is van relevante eerdere veroordelingen.
De rechtbank wil aannemen dat verdachte in 2016 te maken had met financiële krapte. Verdachte had, naast haar financiële verplichtingen jegens haar bank, niet de financiële middelen om én (vervroegd) een nieuw koppel kippen aan te schaffen en de vereiste pluimveerechten te leasen. Verdachte heeft op dat moment gekozen voor de aanschaf van nieuwe kippen. Hierdoor werd het strafbare feit gepleegd. Dat verdachte te maken had met financiële krapte valt echter onder het bedrijfsrisico van verdachte en was geen rechtvaardiging om dan maar zonder de vereiste rechten kippen te gaan houden.
Bij het bepalen van de hoogte van de boete heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de hoogte van de overschrijding van het aantal pluimvee-eenheden en de omstandigheid dat sprake is van een overschrijding in één jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om te volstaan met een (gedeeltelijk) voorwaardelijke geldboete.

6.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
  • 23 (oud) en 51 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten; en
  • 20 van de Meststoffenwet.

7.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
-
overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van
€ 10.000,-(tienduizend euro).
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.W. Pieters, voorzitter,
mrs. G.H. Marcus en R.K. Pijpers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2019.
Mr. Pijpers is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.