AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor illegale handel in verdovende middelen
De rechtbank Amsterdam heeft op 19 november 2019 uitspraak gedaan in een rekestprocedure op grond van artikel 23 vanPro de Overleveringswet. De zaak betrof een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Duitse autoriteiten wegens een strafrechtelijk onderzoek naar illegale handel in verdovende middelen. De verdachte, een Nederlandse staatsburger, werd verdacht van een strafbaar feit dat volgens Duits recht met een gevangenisstraf van ten minste drie jaar kan worden bestraft.
Tijdens de openbare zitting op 5 november 2019 werd de identiteit van de verdachte vastgesteld en erkend. De rechtbank onderzocht de grondslag van het EAB en stelde vast dat het verzoek voldeed aan de voorwaarden van de Overleveringswet, waaronder de dubbele strafbaarheid van het feit. De Duitse autoriteiten gaven een terugkeergarantie dat de verdachte, indien veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, na detentie in Duitsland zal worden overgebracht naar Nederland.
De rechtbank concludeerde dat de garantie voldoende was en dat het strafbare feit ook onder de Nederlandse Opiumwet valt. Er waren geen weigeringsgronden voor overlevering. Daarom werd de overlevering van de verdachte aan Duitsland toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan Duitsland toe wegens illegale handel in verdovende middelen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751826-19
RK nummer: 19/5533
Datum uitspraak: 19 november 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 OverleveringswetPro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 26 september 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 augustus 2019 door het Amtsgericht Kleve(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1.Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 november 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.A.R. van de Velde (als waarnemer voor mr. B.G.J. de Rooij), advocaat te Eindhoven.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van het Amtsgericht Geldernvan 15 juli 2019 met dossiernummer 6 Gs 175/19 (204 Js 260/18).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4.Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
Der Leitende Oberstaatsanwalt in Kleveheeft bij brief van 2 oktober 2019 de volgende garantie gegeven:
It is assured that in the event of a final sentence to imprisonment without suspension on probation within the Federal Republic of Germany the wanted person, [opgeëiste persoon] , will be transferred back to the Netherlands according to the Council Framework Decision 2008/909/HA of 27th November 2008.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
Het feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro B van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onderPro C van de Opiumwet gegeven verbod;
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 vanPro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
6.Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
7.Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 10 en 10a Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan het Amtsgericht Kleve(Duitsland).
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. A.F. van Hoorn en N.M. van Waterschoot, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 19 november 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.