ECLI:NL:RBAMS:2019:9063

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2019
Publicatiedatum
5 december 2019
Zaaknummer
13/524407-06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38d SrArt. 38e SrArt. 509o Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging TBS-maatregel met dwangverpleging en aanhouding beslissing dwangverpleging

Een 47-jarige man, ter beschikking gesteld sinds 2007, is in deze zaak betrokken bij een verzoek tot verlenging van zijn TBS-maatregel met dwangverpleging. De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van de kliniek en het verhoor van partijen tijdens de zitting op 26 november 2019.

De man vertoont een narcistische persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken, maar functioneert binnen het huidige transmuraal verlof en sociale context goed. Het grootste recidivegevaar ligt in het aangaan van een intieme relatie, wat momenteel niet aan de orde is. De reclassering ondersteunt het verlengingsadvies.

De rechtbank oordeelt dat de veiligheid van anderen de verlenging van de TBS-maatregel met één jaar rechtvaardigt. De beslissing over de dwangverpleging wordt aangehouden voor maximaal drie maanden om een maatregelenrapport op te stellen, omdat niet is vastgesteld dat verlenging daarvan nu noodzakelijk is.

De rechtbank draagt de officier van justitie op tot opdracht aan de reclassering voor het rapport en roept alle betrokkenen op voor een volgende zitting. Het oordeel is gebaseerd op het advies, het verhandelde ter zitting en de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: De TBS-maatregel met dwangverpleging wordt met één jaar verlengd, beslissing over dwangverpleging aangehouden voor maximaal drie maanden.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/524407-06
Beslissing op de op 11 oktober 2019 ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 10 oktober 2019 in de zaak tegen:

[terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboortegegevens] 1972,
in het kader van transmuraal verlof wonende bij zijn moeder,
onder toezicht van [de kliniek] ,
die bij vonnis van deze rechtbank van 30 augustus 2007 ter beschikking gesteld werd, teneinde van overheidswege te worden verpleegd, welke terbeschikkingstelling laatstelijk bij beslissing van deze rechtbank van 22 november 2018 voor de duur van één jaar werd verlengd.

De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlengen van de termijn van genoemde terbeschikkingstelling met verpleging met één jaar.

De procesgang

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:
- het op 30 september 2019 op grond van artikel 509o, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies, strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met één jaar, alsmede de daarbij overgelegde aantekeningen.
De rechtbank heeft op 26 november 2019 de officier van justitie mr. M.D. Braber, de terbeschikkinggestelde en diens raadsvrouw mr. A.L. Louwerse, advocaat te Haarlem, en de deskundige A.J. Klumpenaar, verbonden aan [de kliniek] , ter openbare zitting gehoord. Hiervan is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De beoordeling

Aan genoemd advies van [de kliniek] van 30 september 2019 wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:
Kernproblematiek
Betrokkene is een gemiddeld intelligente man van Surinaams/Antilliaans/Portugese afkomst met een zwak geïntegreerde persoonlijkheidsstructuur ten gevolge van affectieve en pedagogische verwaarlozing. De identiteit is gebrekkig ontwikkeld.
Er is sprake van een narcistische persoonlijkheidsstoornis en een persoonlijkheids-stoornis met borderline en antisociale trekken, waarbij de borderline en antisociale aspecten in het huidige gedrag nauwelijks worden waargenomen, in tegenstelling tot de narcistische kenmerken.
Behandelverloop en risicotaxatie
Begin oktober 2018 wordt betrokkene geplaatst op de resocialisatieafdeling van [de kliniek] . Deze belangrijke overgang verloopt zonder opvallende problemen.
Sinds januari 2019 werkt hij als medewerker in een sportschool. Dit gaat goed en hij vindt er snel zijn draai. Hij is trouw aanwezig en meldt zich vrijwel nooit ziek. Inmiddels is hij gestart met een sportopleiding.
Gezien de positieve voortgang van zijn traject wordt besloten dat er transmuraal verlof zal worden aangevraagd met als doel om betrokkene over te plaatsen naar het ouderlijk huis in [woonplaats] waar zijn moeder woont. Dit is toegekend en na een positieve evaluatie van meerdere overnachtingen per week bij zijn moeder, is het aantal overnachtingen inmiddels -met moeders goedvinden- uitgebreid naar zeven dagen per week.
In de situatie met professioneel toezicht en ondersteuning gedurende zijn verblijf in de kliniek en tijdens verlof houdt betrokkene zich aan de afspraken en voorwaarden.
Op het moment dat betrokkene in het kader van de aangevraagde verlofmachtiging zal verblijven bij zijn moeder, wordt de begeleiding vormgegeven door het sociotherapeutisch team van De Sterreschans. Zij kennen betrokkene goed en er is sprake van een prettige samenwerking.
In de situatie
in-zorgwerd bij het verlofkader van onbegeleid verlof inclusief overnachtingen het risico op terugval in crimineel en/of gewelddadig gedrag ingeschat als laag. Bij uitbreiding tot het huidige verlofkader van transmuraal verlof was de inschatting dat het risico op terugval in crimineel en/of gewelddadig gedrag niet zou toenemen.
In een situatie
uit-zorg, waarbij hulpverlening volledig wegvalt, wordt het risico op terugval in crimineel en/of gewelddadig gedrag ingeschat als laag tot matig op de korte termijn en matig op de lange termijn.
De belangrijkste risicofactor blijft het aangaan van een nieuwe intieme relatie en mogelijke problemen die hieruit voort kunnen vloeien. Zoals al benoemd, wordt recidivegevaar vooral binnen intieme, problematische relaties verwacht. Binnen een intieme relatie kost het betrokkene veel moeite om te begrijpen hoe de partner de relatie beleeft en vindt hij het lastig om de wensen van de ander hierin te accepteren. Dit komt voort vanuit onmacht (betrokkene heeft niet geleerd hoe dit moet), niet vanuit onwil.
Het (op dit moment) niet hebben van een relatie werkt enerzijds beschermend, anderzijds ontneemt dit rapporteurs de kans om te onderzoeken in hoeverre betrokkene daadwerkelijk heeft geleerd om te praten binnen een relatie en om te gaan met krenking indien toezicht wegvalt. Bij het wegvallen van professionele hulpverlening zullen vertekende verwachtingen en gedachten die betrokkene ontwikkelt binnen een relatie niet kunnen worden getoetst aan de realiteit, hetgeen de kans op agressief gedrag en - hoogstwaarschijnlijk in mindere mate - de mogelijkheid op een soortgelijk delict als het indexdelict vergroot.
Koers en advies
Betrokkene praktiseert transmuraal verlof en woont bij zijn moeder in [woonplaats] . Daarnaast werkt hij bij een sportschool, volgt hij een opleiding en onderhoudt hij zijn sociale contacten. Binnen dit kader functioneert betrokkene prima. De kliniek is voornemens om aan het einde van het jaar proefverlof aan te vragen. Forensisch psychiatrisch toezicht loopt reeds enkele maanden.
Einddoel bij uitstroom is een verblijf in een eigen woning in [woonplaats] .
Bij een goed verloop van de behandeling en voldoende bewerking van de risicofactoren wordt verwacht dat betrokkene op zijn vroegst in 2020 in aanmerking komt voor een voorwaardelijke beëindiging van de TBS-maatregel. Proefverlof zal
-eveneens bij gunstig beloop- in 2020 worden aangevraagd (eerstvolgende verloffase).
De reclassering staat achter de visie van de kliniek.
Geadviseerd wordt de TBS-maatregel met één jaar te verlengen.
De deskundige heeft ter zitting verklaard dat er in het advies is gekozen voor verlenging van de dwangverpleging omdat het eerst dorolopen van proefverlof de koninklijke weg is. Het complexe aspect is het toetsmoment van het recidiverisico, wat ook bij een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel kan plaatsvinden. Het gevaar voor herhaling speelt specifiek op het vlak van relaties en de dynamiek binnen een relatie. De Reclassering loopt al mee ter voorbereiding van het proefverlof van betrokkene.
Binnen de maatregel zit men dichter op betrokkene. De vraag is of de Reclassering betrokkene voldoende in de gaten kan houden.
De rechtbank is – gelet op het advies, het verhandelde ter zitting en de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht – van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de termijn van de terbeschikkingstelling met één jaar wordt verlengd.
De beslissing omtrent de dwangverpleging zal worden aangehouden nu niet is komen vast te staan dat verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging op dit moment nog noodzakelijk is en ook omdat het van belang is dat een maatregelenrapport wordt opgesteld. Het grootste recidivegevaar ligt besloten in het aangaan van een relatie. Hoe de terbeschikkinggestelde zal omgaan met een relatie kan pas worden getoetst zodra hij een relatie heeft. Op dit moment heeft hij echter geen relatie, zodat het recidiverisico daarmee laag is. Het standpunt van de officier van justitie dat uit statistisch onderzoek blijkt dat het recidivegevaar lager is indien eerst proefverlof wordt genoten, is niet onderbouwd.

Beslissing

De rechtbank:
- wijst de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk toe en
verlengt de termijnvan de terbeschikkingstelling van
[terbeschikkinggestelde]met één jaar;
- houdt de beslissing omtrent de dwangverpleging aan voor onbepaalde tijd, maar voor maximaal drie maanden;
- draagt de officier van justitie op om opdracht te geven aan de reclassering tot het opstellen van een maatregelenrapport;
- beveelt de oproeping van de terbeschikkinggestelde, zijn raadsvrouw, de deskundige A.J. Klumpenaar alsmede de betreffende reclasseringswerker voor de volgende zitting.
Deze beslissing is gegeven door
mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,
mrs. I. Mannen en C.M. van Eck, rechters,
in tegenwoordigheid van G. Jenuwein, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 10 december 2019.