Op 20 december 2018 constateerde de heffingsambtenaar dat de auto van eiser zonder betaling van parkeerbelasting stilstond op een locatie in Amsterdam. De heffingsambtenaar legde daarop een naheffingsaanslag van € 51,40 op. Eiser voerde aan dat hij slechts enkele seconden geparkeerd stond en direct wegreed nadat hij zich realiseerde dat hij zijn portemonnee was vergeten en geen parkeergeld had betaald.
De rechtbank overwoog dat volgens de geldende Parkeerverordening ook bij kortstondig stilstaan parkeergeld verschuldigd is en dat eiser dit niet heeft betwist. Er was geen sprake van een uitzondering die het niet betalen zou rechtvaardigen. Daarom was de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van eiser ongegrond en wees een vergoeding van griffierecht af. Eiser werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.