ECLI:NL:RBAMS:2019:8745
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen rijvaardigheidsonderzoek beginnend bestuurder
Verzoeker, een beginnend bestuurder, is door het CBR verplicht gesteld een rijvaardigheidsonderzoek te ondergaan en mocht niet rijden tot de uitslag van dat onderzoek. Dit besluit volgde op meerdere snelheidsovertredingen binnen vijf jaar na afgifte van zijn rijbewijs, waaronder een ernstige situatie in mei 2014 waarbij hij met hoge snelheid een bedrijfsbusje naderde en moest remmen om een aanrijding te voorkomen.
Verzoeker maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om weer te mogen rijden, stellende dat hij niet de bestuurder was bij een van de overtredingen en dat de strafbeschikking onterecht was. De voorzieningenrechter oordeelde dat de overtredingen rechtsgeldig zijn vastgesteld en dat het feit dat verzoeker geen gebruik maakte van bezwaar en beroep tegen de strafbeschikking niet aan zijn verzoek ten grondslag kan worden gelegd.
De voorzieningenrechter benadrukte het belang van verkeersveiligheid en stelde vast dat het CBR terecht heeft gehandeld op grond van de geldende regelgeving. Het verzoek om schorsing werd afgewezen omdat het niet aannemelijk was dat verzoeker zonder rijbevoegdheid geen alternatieven kon vinden voor zijn werkzaamheden als CEO.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het rijvaardigheidsonderzoek en rijverbod wordt afgewezen.