AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing vordering betaling koop op afstand na verstek
De zaak betreft een vordering van Infoscore Finance GmbH tegen een consument tot betaling van €88,28 wegens een koop op afstand. De gedaagde is niet verschenen en verstek is verleend. De dagvaarding voldeed aanvankelijk niet aan de vereisten van artikel 111 lid 2 enProartikel 21 RvPro, omdat onvoldoende feiten en onderbouwing werden gegeven over de precontractuele informatieverplichtingen.
De kantonrechter stelde eisende partij in de gelegenheid om dit te herstellen door een formulier in te vullen en relevante stukken, waaronder de overeenkomst, over te leggen. Eisende partij heeft dit gedaan en onderbouwde dat aan de informatieverplichtingen van artikel 6:230m lid 1 BW was voldaan, onder meer door het digitale bestelproces en een bevestiging per e-mail te overleggen.
De kantonrechter oordeelde dat de vordering thans voldoende was onderbouwd en wees de hoofdsom en rente toe. De gevorderde buitengerechtelijke kosten werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van ontvangst door de gedaagde. De veroordelingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de gedaagde tot betaling van €88,28 plus rente en proceskosten.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 7889366 CV EXPL 19-145703
vonnis van: 29 oktober 2019
fno.: 393
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
de vennootschap naar buitenlands recht infoscore Finance GmbH
gevestigd te Baden-Baden
eisende partij
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.
t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen
Verloop van de procedure
Bij exploot van dagvaarding van 24 juni 2019 heeft eiseres gevorderd dat gedaagde partij zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 88,28 met nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven.
Gedaagde partij heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend.
Gedaagde partij is consument, althans wordt vermoed consument te zijn. Bij tussenvonnis van 6 augustus 2019 is eisende partij in de gelegenheid gesteld om het bijgevoegde informatieformulier in te vullen, dit ingevulde formulier en de daarin aangeven stukken in het geding te brengen en een kopie hiervan aan gedaagde te sturen met de mededeling dat deze hierop kan reageren.
Eisende partij heeft op 10 september 2019 een akte ingediend.
Gedaagde partij heeft niet gereageerd.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
Gronden van de beslissing
Eisende partij vordert betaling van € 88,28 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten.
Op grond van artikel 111 lid 2 onderPro d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 RvPro dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.
Daaraan voldoet de dagvaarding niet.
Eisende partij stelt bij dagvaarding slechts – kort weergegeven - dat de rechtsvoorgangster van eiseres onder de door haar gehanteerde, gedaagde bekende en bindende, voorwaarden verkocht en geleverd aan gedaagde partij de roerende zaken als nader omschreven in de aan gedaagde partij gezonden factu(u)r(en). Gedaagde partij is uit hoofde van voornoemde overeenkomst(en) € 88,25 verschuldigd. Gedaagde partij heeft ondanks aanmaning niets betaald en verkeerde in ieder geval vanaf 25 juli 2018 in verzuim. Zij legt een omschrijving van de factuur over en een kopie van de “14 dagen brief” over.
Uit bedrijfsnaam van de rechtsvoorganger van eisende partij maakt de kantonrechter op dat de grond van de vordering een koop op afstand tussen de rechtsvoorganger van eisende partij gedaagde partij betreft.
Bij dagvaarding is niet gesteld en ook is niet gebleken dat, en zo ja op welke wijze, aan de wettelijke (pre) contractuele informatieverplichtingen ter zake van de aan de vordering ten grondslag liggende online koopovereenkomst is voldaan. Deze informatieverplichtingen zijn te beschouwen als verbintenissen die uit de wet voortvloeien. De overeenkomst, en een bevestiging van deze wettelijk verplichte informatie, is ook niet overgelegd.
Eisende partij is vervolgens in de gelegenheid gesteld haar vordering alsnog te onderbouwen met alle voor de beslissing van belang zijnde feiten door invulling van de vragen van het formulier, waar nodig de vragen toe te lichten en de daarin aangegeven stukken, waaronder de overeenkomst, in het geding te brengen.
Eisende partij heeft bij akte de vragen van het formulier beantwoord. Eisende partij stelt onder meer dat zij aan haar precontractuele verplichtingen van artikel 6:230 m lid 1 BW heeft voldaan, zij heeft het gehele digitale bestelproces toegelicht en als productie print screens van de totstandkoming van de overeenkomst op afstand overgelegd. Voorts heeft zij de bevestiging per e-mail van de koop overgelegd, waaruit blijkt dat onder meer de voornaamste kenmerken van zaak, de prijs, de identiteit, geografisch- en e-mailadres van de verkoper en het recht op ontbinding van de overeenkomst in de overeenkomst zijn opgenomen.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de vordering thans voldoende onderbouwd.
Mitsdien zijn de hoofdsom en de rente toewijsbaar.
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten komt niet voor toewijzing in aanmerking. De overgelegde aanmaning vermeld geen e-mailadres waar de aanzegging naar toe zou zijn verzonden. De aanzegging van de buitengerechtelijke kosten kan pas zijn werking hebben als de aanzegging gedaagde heeft bereikt. Ontvangst van de aanzegging door gedaagde partij, is gelet op het voorgaande, echter niet aangetoond.
Beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij aan de eisende partij te voldoen:
€ 88,28 ter zake van de hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2019 tot de voldoening; € 1,16 ter zake van vervallen rente;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 85,18 aan explootkosten, € 36,00 aan salaris gemachtigde en € 121,00 aan griffierecht, één en ander, voor zover van toepassing, inclusief BTW;
veroordeelt gedaagde partij in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 18,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat gedaagde partij niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.J. Ros, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.