ECLI:NL:RBAMS:2019:7196
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- L. Dolfing
- S. Djebali
- R.C.J. Hamming
- Rechtspraak.nl
Vergoeding kosten raadslieden en deskundige na onvoorwaardelijk sepot
Verzoekster, die 33 maanden onterecht als verdachte werd aangemerkt, vroeg vergoeding van kosten voor raadslieden, een deskundige en de verzoekschriftprocedure na een onvoorwaardelijk sepot. De rechtbank oordeelde dat de zaak complex was en specialistische kennis vereiste, maar matigde de vergoeding vanwege onvoldoende onderbouwing van werkzaamheden van stagiairs en onduidelijkheid over uurtarieven.
De rechtbank wees de vergoeding van kosten van minder ervaren kantoorgenoten en stagiairs af wegens gebrek aan specificatie en onderbouwing. Voor de twee specialistische advocaten werd een gemiddeld uurtarief van €320 gehanteerd, wat als redelijk werd beschouwd. De BTW werd niet vergoed omdat deze fiscaal aftrekbaar is.
De kosten van de deskundige werden volledig toegewezen omdat deze het onderzoek heeft gediend en heeft bijgedragen aan het sepot. Voor de kosten van het verzoekschrift werd de standaardvergoeding toegekend, omdat geen bijzondere omstandigheden waren gesteld.
De totale vergoeding bedroeg €28.554,53, bestaande uit €24.224,53 voor raadslieden, €3.780,00 voor de deskundige en €550,00 voor het verzoekschrift. Het verzoek tot hogere vergoeding werd afgewezen.
De beschikking werd gegeven door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 3 september 2019 en tegen deze beslissing staat hoger beroep open.
Uitkomst: De rechtbank kent gedeeltelijke vergoeding toe voor kosten van raadslieden en deskundige na onvoorwaardelijk sepot, met afwijzing van kosten stagiairs en BTW.