Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2019:7046

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 augustus 2019
Publicatiedatum
25 september 2019
Zaaknummer
99/000108-58
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling wegens recidiverisico en weigering voorwaarden

Veroordeelde is bij onherroepelijk arrest veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan de detentie begon op 4 maart 2018. Op grond van artikel 15 Sr Pro kwam hij op 26 augustus 2019 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). De officier van justitie verzocht de rechtbank om de v.i. uit te stellen met 90 dagen omdat het recidiverisico onvoldoende wordt beperkt door het stellen van voorwaarden, mede doordat veroordeelde zich niet bereid heeft verklaard deze na te leven.

Reclassering Inforsa bracht op 27 juni 2019 een advies uit waarin werd gesteld dat het plan van aanpak niet uitvoerbaar is vanwege de agressieve en afwijzende houding van veroordeelde, zijn weigering tot medewerking aan bijzondere voorwaarden zoals opname in een woonvoorziening en ambulante behandeling, en het risico op huiselijk geweld bij terugkeer naar zijn vriendin. De deskundige R. Nuyens bevestigde dit advies ter terechtzitting.

De verdediging stelde dat veroordeelde een kans verdient en dat hij na december 2018 geen contact meer had met de reclassering, waardoor de weigering mogelijk berust op misverstanden. De rechtbank oordeelde echter dat de houding van veroordeelde ten aanzien van de bijzondere voorwaarden niet is veranderd en dat incidenten tijdens detentie de noodzaak van de voorwaarden ondersteunen.

Daarom besloot de rechtbank de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe te wijzen en deze uit te stellen voor 90 dagen.

Uitkomst: De rechtbank stelt de voorwaardelijke invrijheidstelling uit voor 90 dagen vanwege het hoge recidiverisico en de weigering van veroordeelde om bijzondere voorwaarden na te leven.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
V.i.-zaaknummer: 99/000108-58
Parketnummers: 13/654168-15, 23/003903-15
Beslissing op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 11 juli 2019, ontvangen ter griffie op 11 juli 2019, betreffende uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) in de strafzaak tegen:
[veroordeelde] ,(hierna: veroordeelde)
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987 ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [plaats] ,
gedetineerd in [plaats detentie] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 augustus 2019.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.M. van den Berg, en van wat veroordeelde en zijn raadsvrouw mr. J.J.M. Kleiweg naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank ter terechtzitting als deskundige R. Nuyens, medewerker bij Reclassering Inforsa, gehoord.

2.Procesgang

Bij onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam van 8 juli 2016, met parketnummer 23/003903-15, is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
De detentie van veroordeelde is begonnen op 4 maart 2018. Op grond van artikel 15 van Pro het Wetboek van Strafrecht komt veroordeelde op 26 augustus 2019 in aanmerking voor v.i.
De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank bepaalt dat de v.i. van veroordeelde wordt uitgesteld voor de duur van 90 dagen, omdat het stellen van voorwaarden bij de v.i. het recidiverisico onvoldoende inperkt, mede omdat veroordeelde zich niet bereid heeft verklaard de aan de v.i. te verbinden voorwaarden na te leven.

3.Aanleiding voor de vordering uitstel v.i.

In het reclasseringsadvies van 27 juni 2019 van Reclassering Inforsa staat beschreven dat veroordeelde er de voorkeur aan geeft om na detentie in te trekken bij zijn vriendin. Volgens informatie van ‘Veilig Thuis’ was er eerder sprake van huiselijk geweld tussen veroordeelde en zijn vriendin. Reclassering Inforsa is daarom van mening dat detentiefasering bij deze vriendin een hoog risico op geweldsdelicten vormt. Veroordeelde functioneert redelijk binnen zijn detentie. Hij ondervindt moeite met het beheersen van zijn boosheid.
Bij de bespreking van de bijzondere voorwaarden uit het detentie & re-integratierapport van 12 december 2018 nam veroordeelde een (verbaal) agressieve en dreigende houding aan tegen de rapporteur. Veroordeelde eiste dat het rapport zou worden aangepast en weigerde mee te werken aan een substantieel deel van de geformuleerde bijzondere voorwaarden. Zo wees hij een opname binnen een woonvoorziening af en hij vond een ambulante behandeling niet nodig. De Top600-regisseur van veroordeelde staat afwijzend tegenover detentiefasering. In het rapport wordt geconcludeerd dat, gelet op de houding van veroordeelde, het plan van aanpak niet uitvoerbaar is.
Gelet op bovengenoemde omstandigheden adviseert Reclassering Inforsa om veroordeelde niet in aanmerking te laten komen voor v.i.
Ter terechtzitting heeft de deskundige, R. Nuyens, aangegeven bij voornoemd advies te blijven.
Uit het OML-advies van 21 juni 2019 volgt dat het onverantwoord is om veroordeelde met v.i. te laten gaan indien zijn houding ten aanzien van de bijzondere voorwaarden inmiddels niet is veranderd.
Uit het v.i.-advies van de Penitentiaire Inrichting van 25 juni 2019 is verder naar voren gekomen dat veroordeelde zich houdt aan de gestelde inrichtingsregels. Hij neemt deel aan alle activiteiten uit het plusprogramma. Veroordeelde kan agressief reageren, maar is niet fysiek agressief geweest. In november 2018 is aan hem een disciplinaire straf opgelegd en recent heeft hij een officiële waarschuwing gekregen.

4.Beoordeling van de vordering tot uitstel v.i.

4.1.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft de vordering tot uitstel van de v.i. van 90 dagen gehandhaafd.
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tot uitstel van de v.i. af te wijzen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte binnen de penitentiaire inrichting werkt aan zijn toekomst. Ten aanzien van de afwijzende houding van veroordeelde tegenover de bijzondere voorwaarden heeft de raadsvrouw aangevoerd dat veroordeelde na 12 december 2018 niemand van de Reclassering meer heeft gesproken. Indien de voorwaarden beter waren uitgelegd, had veroordeelde de medewerking niet geweigerd. De raadsvrouw is van mening dat veroordeelde een kans verdient om de bijzondere voorwaarden na te komen.
4.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het gesprek tussen veroordeelde en de rapporteur van het detentie- en re-integratierapport van 12 december 2018 als uitgangspunt dient te worden genomen. Tijdens dit gesprek zijn de bijzondere voorwaarden besproken die aan de v.i. worden verbonden. Verdachte heeft toen aangegeven dat hij niet bereid was om aan de voorwaarden mee te werken. Uit het v.i.-advies van de Penitentiaire Inrichting volgt dat er tijdens detentie incidenten hebben plaatsgevonden die, gelet op de agressieve aard, aansluiten bij de redenen waarom de reclassering de genoemde bijzondere voorwaarden nodig acht. Ter terechtzitting is niet gebleken dat de houding van verdachte ten aanzien van de bijzondere voorwaarden is veranderd. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de vordering tot uitstel van de v.i. zal toewijzen.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Wijst toe de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld voor de duur van 90 dagen.
Deze beslissing is genomen door
mr. J. Knol, voorzitter,
mrs. C.A. van Dijk en M. Lambregts, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 augustus 2019.